Van heerser naar hoeder
Tjeerd Roosjen
Van heerser naar hoeder
"All
power is a trust;
that we are accountable for its exercise."
Benjamin Disraeli
– Proloog
–
Van leider naar hoeder
Dit
boek is het vervolg op Burgers
aan de macht. In dat boek
onderzocht ik de vraag hoe mensen zichzelf steeds beter kunnen
leiden. Hoe zij verantwoordelijkheid kunnen nemen voor hun eigen
leven, hoe zij hun eigen keuzes kunnen maken en hoe zij hun
creatiekracht kunnen inzetten voor zichzelf én voor de samenleving.
Maar als de burger verandert, kan de politiek dan achter blijven? Dat
is de vraag waarmee dit boek begint. Want een burger die
zelfstandiger en bewuster wordt, vraagt om een andere verhouding tot
de politiek. Niet een politiek die alles voorschrijft, controleert en
problemen overneemt, maar een politiek die mensen in staat stelt zelf
verantwoordelijkheid te nemen. Een politiek van faciliteren en
inspireren. Daarom moet de ontwikkeling van de burger én van de
politicus samengaan.
We kunnen niet de volwassenwording van de burger bepleiten én vasthouden aan een politiek die hem klein houdt.
Dat betekent overigens niet dat de overheid minder belangrijk wordt. Integendeel. Een democratische samenleving heeft bescherming, regels, recht en bestuur nodig. Maar de manier waarop politieke macht wordt gebruikt, kan veranderen. Van macht naar ruimte, van controleren naar vertrouwen, van ruimte innemen naar ruimte bieden. Daarmee vormt zich een ander beeld van leiderschap. Ik noem het hoederschap. De hoeder staat niet boven de samenleving om haar te vertellen waarheen zij moet. Hij bewaakt de ruimte waarin mensen zelf kunnen handelen, creëren en verantwoordelijkheid nemen. Hij beschermt waar dat nodig is, stelt grenzen waar dat moet en geeft vrijheid waar dat kan.
Waarom is het nodig om daar nu naar te kijken? Omdat de verbinding tussen politiek en samenleving onder druk staat. Het vertrouwen neemt af, het politieke klimaat verhardt en de afstand tussen bestuur en burger groeit. Wanneer burgers zich niet langer herkennen in degenen die namens hen spreken en besturen, ontstaat vervreemding. En wanneer die vervreemding te groot wordt, raakt niet alleen de politiek maar ook het fundament van de democratische samenleving verzwakt. Daarom is dit geen vrijblijvende zoektocht naar een sympathiek nieuw type politicus. We moeten onderzoeken of het leiderschapsmodel zelf aan vernieuwing toe is.De vraag is niet of leiderschap moet verdwijnen. De vraag is:
Welk leiderschap past bij een samenleving waarin mensen steeds beter in staat zijn zichzelf te leiden?
Dat is wat ik in dit boek wil onderzoeken. Hoe? Door verschillende historische vormen van leiderschap naast elkaar te leggen en te onderzoeken wat zij ons vandaag nog te zeggen hebben. Daartoe heb ik een aantal staatslieden uit verschillende tijden bij elkaar gebracht. Mannen die zelf macht hebben uitgeoefend, landen hebben geleid en beslissingen hebben genomen die de geschiedenis veranderden. Ik heb ze uit hun eigen tijd gehaald en aan één tafel gezet in de Koninklijke Schouwburg te Den Haag. En daar wil ik met hen onderzoeken wat leiderschap vandaag nog zou kunnen betekenen. Misschien ontdekken we dat de leider van de toekomst niet degene is die zichzelf groter maakt maar burgers laat groeien, dat de leider van de toekomst ook niet degene is die de meeste ruimte inneemt, maar degene die de meeste ruimte weet te bieden: De echte goede herder.
Tjeerd Roosjen
– Hoofdstuk
1 –
De
geboorte van de burger
De grote zaal van de Koninklijke Schouwburg in Den Haag is volledig donker. Geen stoel is zichtbaar. Geen gezicht, geen beweging. Dan klinkt er ergens ver weg een klok. Eén slag. Nog één. Daarna niets. Een zacht geruis vult de zaal. Eerst nauwelijks hoorbaar, dan iets sterker. Stemmen, voeten, een menigte.
Op het grote scherm boven het podium verschijnt een beeld: Parijs 1789. De stad ontwaakt. Het is geen gewone ochtend. Op straat lopen veel mensen dicht opeen. De gezichten staan gespannen. Er wordt volop gefluisterd, geroepen en geduwd. Een vrouw houdt een leeg broodmandje tegen haar borst. De bakkerij is leeg. Geen eten. Verderop klinkt geschreeuw. 'Brood!' Nog een stem. 'Brood!' Dan tientallen stemmen. 'Brood!' Het beeld beweegt door de straten van Parijs. Mannen met verweerde gezichten, vrouwen met kinderen, oude mensen en jonge mensen. Mensen die niets meer te verliezen hebben.
En boven dit alles: Versailles. Het paleis verschijnt. Goud. Spiegels. Kroonluchters. Zijde. Een wereld die bijna niet lijkt te bestaan. Daar loopt Lodewijk XVI. Koning van Frankrijk. Achter hem zijn hofhouding. De camera volgt hem door een eindeloze gang. Hij is omringd door pracht en praal. Maar buiten begint een andere wereld wakker te worden. Het beeld springt terug naar Parijs. Een menigte verzamelt zich bij de Bastille. Burgers, soldaten, woede, angst. Dan komt de massa in beweging. De beelden versnellen. Vlaggen. Wapens. Vuur. Een kerkklok die luidt. Mensen rennen door de straten. De Bastille valt. De oude orde begint te wankelen. Het scherm wordt zwart.
Dan verschijnt één woord:
Vrijheid
Het verdwijnt. Een tweede woord:
Gelijkheid
Dan:
Broederschap
De woorden blijven slechts enkele seconden staan. Daarna keert het beeld terug. De koning wordt afgezet, de kroon verdwijnt. De macht die eeuwenlang vanzelfsprekend leek, blijkt ineens niet meer vanzelfsprekend. De menigte groeit en de spanning stijgt. En dan zien we hem: Lodewijk XVI op weg naar zijn laatste uur. Geen kroon. Geen hof. Geen bescherming. Alleen een man. Een menigte op een plein. Een houten platform met daarop de guillotine. Het geluid van de menigte zwelt aan. Een adembenemende stilte en dan valt het vlijmscherpe mes. Het einde van de monarchie. Het beeld bevriest. Zwart. Lange stilte. Op het scherm verschijnt:
De koning is dood. Maar wie neemt zijn plaats in?
Dan gaat langzaam een smalle lichtbundel aan op het podium. Regisseuse Hannah Arendt staat daar. Alleen. Ze kijkt niet naar de zaal, ze kijkt naar het zwarte scherm. Alsof ze zelf nog probeert te begrijpen wat ze zojuist heeft gezien. Dan draait ze zich om en zegt: 'Er zijn momenten in de geschiedenis waarop de wereld niet langzaam verandert.' Ze laat een stilte vallen. 'Er zijn momenten waarop een wereld breekt.'
Ze loopt naar de grote tafel midden op het podium. '1789 was zo'n moment.' Ze legt haar hand op de rugleuning van de grote stoel aan het hoofd van de tafel. 'Hier eindigde een politiek tijdperk.' Ze kijkt naar de lege stoel. 'De koning verdween en de burger verscheen.'
Ze loopt verder. 'Niet langer de onderdaan van een vorst, maar, althans in beginsel, een mens die aanspraak maakte op vrijheid, gelijkheid en zeggenschap over zijn eigen politieke lot.'
Ze kijkt naar de zaal. 'Dat was geen kleine verandering, het was een aardverschuiving.' Achter haar blijft het scherm zwart.
Hannah Arendt stond alleen op het podium. Toen verscheen opnieuw een beeld. Niet een opstandig Parijs, niet de boze menigte, niet de scherpe guillotine. Wel een lege kamer, een lage stoel en een eenvoudig geklede man: Lodewijk XVI.
Hij droeg geen kroon, geen mantel, geen enkel teken van zijn vroegere macht. Alleen een vermoeide man. Arendt keek naar het scherm en zei: 'U bent dood.'
De koning knikte. 'Dat ben ik.'
'En toch zit u hier.'
'Omdat ik nog iets te zeggen heb.'
Arendt zweeg.
'U hebt zojuist gezien wat er met mijn land gebeurde,' zei de koning.
'Ik heb gezien wat er met uw macht gebeurde.'
De koning keek haar aan. 'Dat is hetzelfde.'
'Nee,' zei Arendt. 'Dat is het niet.'
Een lange stilte.
De koning keek naar zijn handen. 'Toen ik koning was, dacht ik dat Frankrijk van mij was.'
Arendt zei niets.
'Het paleis was van mij, de macht was van mij, het land was van mij.' Hij keek op. 'Ik dacht dat dat mijn recht was.'
'En uw volk?'
De koning zweeg.
'Wat was uw volk voor u?'
Hij ademde diep in. 'Onder mijn verantwoordelijkheid.'
Arendt keek hem aan. 'Dat klinkt beter.'
De koning keek weg. 'Ik heb mijzelf wijsgemaakt dat ik voor mijn volk zorgde. Maar ik luisterde onvoldoende naar wat het nodig had.' Hij glimlachte bitter. 'Ik zag de pracht van Versailles. Ik zag de etiquette, de tradities en de positie die mijn familie eeuwenlang had gehad.' Hij keek naar het scherm alsof hij opnieuw naar zijn oude wereld keek. 'Maar ik zag de lege broodmandjes niet.'
Arendt zei niets.
'Ik hoorde de stemmen op straat te laat.'
'En toen?'
De koning keek haar aan. 'Toen was het te laat.'
Een stilte. 'Ik heb lang gedacht dat mijn ondergang het gevolg was van de revolutie.'
Arendt: 'En nu?'
De koning antwoordde: 'Nu denk ik dat mijn ondergang al veel eerder was begonnen.'
'Wanneer?'
'Op het moment dat ik vergat dat macht geen bezit is.'
Arendt keek hem aandachtig aan. 'Wat is macht dan?'
De koning dacht lang na. 'Verantwoordelijkheid.' Hij keek naar haar. 'Misschien had ik dat eerder moeten begrijpen. Ik heb mensen laten lijden terwijl ik dacht dat mijn positie mij het recht gaf om te bepalen wat goed voor hen was.' Zijn stem werd zachter. 'Daarvoor wil ik om vergeving vragen.'
Arendt bleef hem aankijken. 'Aan wie?'
De koning keek naar het scherm. 'Aan hen.'
Het scherm vulde zich met gezichten: Mannen, vrouwen, kinderen, Parijzenaars. Mensen die leefden in de tijd waarin hij koning was.
'Aan de mensen die ik niet heb gezien. Aan de mensen naar wie ik niet heb geluisterd.' Nog een stilte. 'En misschien,' zei hij, 'aan iedereen die na mij macht krijgt.'
Arendt keek op. 'Wat zou u hun willen toevertrouwen?'
De koning dacht even na. Toen zei hij:
'Verwar macht nooit met eigendom.'
Het scherm werd langzaam donker. Maar voordat het volledig zwart was, verscheen nog één zin:
'Wie de mensen vergeet voor wie hij regeert, verliest het recht om over hen te regeren.'
Arendt bleef enkele seconden staan. Toen draaide ze zich naar de grote vergadertafel die moederziel alleen stond op het podium. De stoelen waren leeg, ook de grotere stoel aan het hoofd van de tafel. 'Een opmerkelijke bekentenis,' zei ze zacht. Ze keek naar de coulissen. 'En misschien een waarschuwing.'
Hannah Arendt stond nog altijd voor de tafel. Ze keek naar de lege stoel aan het hoofd. 'Het is tijd om...'
'Wacht.'
Arendt keek verbaasd op. Een mannenstem kwam uit het scherm. Hard en scherp.
De technicus draaide zich om naar zijn monitor. 'Dat was niet de bedoeling.'
Arendt keek naar het scherm. 'Wie is daar?'
Het scherm lichtte op. Een gezicht verscheen, bleek en streng. De ogen stonden diep in het gezicht. 'Robespierre.'
Arendt keek hem aan. 'Maximilien Robespierre?'
'Die.'
'U bent onverwacht.'
'Dat ben ik vaker geweest.'
De technicus keek vragend naar Arendt. Zij maakte een klein gebaar van laat hem maar.
Robespierre keek de zaal in. 'Ik heb geluisterd naar de koning.'
Arendt: 'En?'
'Hij heeft eindelijk begrepen waarom hij zijn macht verloor.'
'Dat lijkt mij winst.'
'Voor hem misschien.'
Robespierre zweeg even. 'Maar hij heeft niet verteld waarom wij in opstand kwamen.'
Arendt keek hem aandachtig aan. 'Vertelt u het ons.'
Het gezicht op het scherm veranderde nauwelijks. 'Wij waren het zat, van een samenleving waarin geboorte bepaalde hoeveel je waard was, waarin een kleine groep privileges bezat en een grote groep moest gehoorzamen, waarin macht zichzelf in stand hield omdat zij zichzelf als vanzelfsprekend beschouwde.'
Hij keek recht de zaal in. 'Wij wilden dat veranderen.'
Vrijheid. Gelijkheid. Broederschap.
De drie woorden verschenen achter hem op het scherm. Robespierre vervolgde: 'Dat waren geen mooie woorden voor op een vaandel. Het waren eisen, keiharde eisen.' Hij keek naar Arendt. 'Wij wilden een andere samenleving.'
'En hebt u die gekregen?'
De revolutionair zweeg. Voor het eerst verscheen er iets van twijfel op zijn gezicht. 'Niet zoals wij hadden gehoopt.'
Arendt: 'Waarom niet?'
Robespierre keek naar beneden. 'Omdat wij uiteindelijk dezelfde fout maakten als degenen tegen wie wij in opstand waren gekomen.'
'Welke fout?'
'Wij dachten dat een goede samenleving kon worden afgedwongen.
Wij vochten tegen geweld met geweld. Wij vernietigden macht om vervolgens zelf macht te gaan uitoefenen. Wij wilden vrijheid brengen.' Hij keek naar de zaal. 'En creëerden angst.'
Arendt bleef zwijgen.
'Dat is mijn aandeel in de geschiedenis.' Zijn stem was zachter geworden. 'En ik kan het niet ongedaan maken.'
Hij keek naar de lege stoel aan het hoofd van de tafel. 'Maar misschien kan ik er wel iets van leren.'
Arendt: 'Wat?'
Robespierre keek haar recht aan.
'Dat een revolutie die alleen de machthebbers vervangt, geen werkelijke revolutie is.'
'Wat bedoelt u precies?'
'De koning verdwijnt, een nieuwe elite verschijnt. De oude macht valt, een nieuwe macht neemt haar plaats in.' Hij schudde langzaam zijn hoofd. 'Dan is alleen de bezetting van de stoel veranderd.'
Arendt keek naar de stoel. Precies op dat moment verscheen op het scherm opnieuw de guillotine. Maar deze keer stond er niemand onder. Alleen een lege stellage met daarop een pamplet geplakt. Daarop stond met grote letters geschreven: "Vecht voor je recht".
Robespierre: 'Misschien is het tijd voor een andere revolutie.'
Arendt keek op. 'Welke?'
Hij glimlachte nauwelijks. 'Een revolutie waarvoor geen guillotine nodig is. Geen revolutie van wapens en bloed, maar een revolutie van de manier waarop wij denken over macht.'
Arendt kwam langzaam overeind. 'En wat zou er dan moeten veranderen?'
Robespierre keek naar de zaal. 'Misschien moeten we ophouden te vragen wie er aan de macht is.' Een stilte. 'En beginnen te vragen wat mensen met macht doen wanneer ze haar eenmaal hebben.'
Het scherm werd donker. Maar zijn woorden bleven hoorbaar:
'Een revolutie die alleen van machthebber verandert, verandert de wereld niet.'
Hannah Arendt bleef enkele ogenblikken stil staan. Toen liep ze langzaam naar het midden van het podium. Ze keek naar de zaal. 'Misschien moet ik mij eerst voorstellen.' Ze wachtte even. 'Mijn naam is Hannah Arendt.' Op het scherm verscheen haar portret. Een vrouw, een intellectueel, een vluchteling. Een vrouw die Europa zag veranderen in een wereld waarin politieke macht een angstaanjagende gedaante aannam.
'Ik ben geboren in Duitsland, aan het begin van de twintigste eeuw. Ik heb de opkomst van het nationaalsocialisme meegemaakt. Ik zag wat er gebeurt wanneer mensen hun vrijheid verliezen en wanneer politiek verandert in een systeem dat mensen niet langer als burgers beschouwt, maar als massa.'
Haar portret verdween en nieuwe beelden verschenen. Straten van Berlijn met massa's mensen op de been. Vlaggen en uniformen. Een wereld die steeds donkerder wordt. Arendt bleef rustig spreken. 'Ik heb als politiek denker mijn leven gewijd aan het begrijpen van macht. Niet alleen aan de vraag wie macht bezit, maar vooral aan de vraag wat macht met mensen doet.'
De beelden verdwenen. Alleen haar gezicht bleef nog even zichtbaar. 'Ik heb geprobeerd te begrijpen hoe het mogelijk is dat mensen zich onderwerpen aan systemen die uiteindelijk ook hun eigen vrijheid vernietigen.' Ze keek naar de tafel. 'Maar ik heb ook iets anders geleerd. Dat macht niet hetzelfde is als geweld.' Een korte stilte. 'Geweld kan mensen dwingen, maar geweld kan geen duurzame samenleving bouwen.'
Ze keek naar het zwarte scherm. 'Daarom luisterde ik zojuist aandachtig naar Robespierre. Hij wilde een nieuwe wereld en de koning wilde de oude wereld behouden.' Ze keek naar de lege stoel aan het hoofd. 'Beiden ontdekten uiteindelijk iets over macht. De koning ontdekte dat macht die zichzelf als bezit beschouwt, haar legitimiteit kan verliezen. En Robespierre ontdekte dat je een nieuwe samenleving niet kunt afdwingen zonder het gevaar te lopen dezelfde machtsstructuur opnieuw te creëren.' Arendt zweeg. Toen zei ze:
'Misschien begint echte politieke verandering daarom niet met de vraag wie er aan de macht is, maar met de vraag wat wij onder macht verstaan.'
De zaal bleef stil. 'Dat is mijn fascinatie. Niet macht als bezit, niet macht als dominantie, niet macht als het vermogen om anderen te laten gehoorzamen.' Ze keek naar de lege stoelen rondom de tafel.
'Maar macht als het vermogen van mensen om samen iets tot stand te brengen.
Daarom geloof ik in het politieke.' Ze sprak het woord langzaam uit. 'Niet in politiek als strijd om posities, als een permanente strijd tussen twee of meerdere kampen. Maar in de mogelijkheid dat mensen samen een wereld kunnen vormen.' Ze keek naar de zaal. 'Dat vraagt om vrijheid, om verantwoordelijkheid, om het vermogen om met elkaar te spreken, ook wanneer we het fundamenteel oneens zijn.' Ze draaide zich om naar de grote stoel. 'En het vraagt om leiders die begrijpen dat macht hen niet toebehoort.'
Ze liep naar de grote stoel en legde voorzichtig haar hand op de rugleuning. 'Macht is geen bezit, maar macht wordt hen toevertrouwd. Tijdelijk voor een doel, om de samenleving te dienen.'
–
Hoofdstuk
2 –
De goede herder
'Vanavond ben ik bij u met de voorstelling "De goede herder", geachte toehoorders in de zaal. Een theaterstuk vol oude bekenden. Zij die vanuit hun positie een stempel hebben gedrukt op de geschiedenis. Niet om deze staatslieden te veroordelen; zij waren kinderen van hun tijd. Hun keuzes moeten worden begrepen vanuit de wereld waarin zij leefden en regeerden.' Ze keek naar het scherm. 'Maar begrijpen betekent niet dat we alles moeten behouden.' Er verscheen een bescheiden glimlach op haar gelaat. 'De geschiedenis is geen museum, zij is een gesprek met het heden.'
Arendt liep terug naar het midden van het podium. 'En daarom heb ik deze mannen hierheen gehaald, om hen één vraag voor te leggen.' Ze keek naar de stoel aan het hoofd.
'Is het leiderschap waarmee wij de democratie hebben opgebouwd nog het leiderschap dat wij nodig hebben om haar toekomst vorm te geven?'
Ze liet de vraag in de zaal hangen. Toen draaide ze zich om. Vanuit de coulissen klonk het geluid van zware voetstappen. Een man naderde en Arendt keek op. 'Daar komt de eerste.' Ze deed een stap opzij en het licht op het podium veranderde. Een imposante gestalte verscheen, rechtop, breedgeschouderd en geüniformeerd. Otto von Bismarck bleef enkele seconden staan. Hij keek naar het zwarte scherm, naar de grote tafel en naar de stoel aan het hoofd. Toen liep hij naar voren.
Arendt keek hem aan. 'Welkom, meneer Bismarck.'
Bismarck knikte. 'Mevrouw Arendt.'
Hij keek naar de stoel. 'Ik neem aan dat die voor mij bedoeld is.' Arendt antwoordde niet. Bismarck trok de stoel naar achteren, maar voordat hij ging zitten, keek hij haar aan. 'Of is dat precies wat u wilt onderzoeken?'
Arendt keek hem recht aan. 'Precies.'
Bismarck ging na enige aarzeling op een andere stoel zitten. Het licht bleef op hem gericht. De eerste staatsman was gearriveerd en mocht het woord voeren.
'U begon deze avond met de Franse Revolutie,' zei hij. 'Dat was niet toevallig, neem ik aan.'
Arendt schudde haar hoofd. 'Nee.'
'Dan wil ik daar graag iets over zeggen. Ik heb veel over de Franse Revolutie nagedacht. Niet omdat ik bewondering had voor haar geweld. Integendeel.'
Op het scherm verscheen opnieuw Parijs. De menigte en de guillotine.
Bismarck keek naar de beelden. 'Maar omdat zij een les bevat die iedere staatsman zou moeten begrijpen. Een samenleving kan heel lang verdragen dat macht ongelijk verdeeld is, maar er komt een moment waarop mensen niet langer geloven dat de opgelegde orde ook hún orde is.'
Arendt keek op en Bismarck vervolgde: 'Dan wordt gehoorzaamheid heel broos. Wanneer mensen het gevoel krijgen dat degenen aan de macht geen enkel idee hebben van hun werkelijkheid, kan de afstand tussen bestuur en samenleving plotseling veranderen in woede.' Hij draaide zich naar de zaal. 'Dat heb ik onthouden.'
Arendt: 'Wat precies?'
Bismarck antwoordde zonder aarzelen:
'Een staat kan niet uitsluitend op macht worden gebouwd. Hij heeft ook legitimiteit nodig.
De Franse koning verloor uiteindelijk niet alleen zijn macht,' zei Bismarck. 'Hij verloor het vertrouwen dat zijn macht gerechtvaardigd was.' Hij liep terug naar de tafel. 'Dat onderscheid is belangrijk.' Hij ging zitten. 'Een leider kan mensen dwingen hem te gehoorzamen, maar hij kan ze daarmee nog niet laten geloven dat hij het recht heeft om te leiden.'
Arendt keek hem aandachtig aan. Bismarck vervolgde: 'Dat is misschien wel de grootste les die ik uit de Franse Revolutie heb getrokken.' Hij keek naar de lege stoelen rondom de tafel. 'Wie regeert, moet begrijpen dat macht nooit alleen van hemzelf is.'
Arendt keek naar hem. 'U zei zojuist dat een leider uiteindelijk moet kunnen beslissen.'
'Dat zeg ik nog steeds.'
'Maar nu zegt u dat macht niet van de leider is.'
Bismarck knikte. 'Dat is geen tegenstelling.'
'Legt u dat eens uit.'
Bismarck dacht na. 'De leider draagt de macht, maar hij bezit haar niet. Dat had Lodewijk XVI eerder moeten begrijpen. En misschien moeten politici dat iedere generatie opnieuw begrijpen.'
Arendt glimlachte nauwelijks. 'Dat is een opmerkelijke uitspraak.'
'Waarom?'
'Omdat u daarmee dichter bij mijn uitgangspunt komt dan u wellicht beseft.'
Bismarck keek haar onderzoekend aan. 'Dat zullen we nog wel zien.'
Op het scherm verdween Parijs. De Franse Revolutie maakte plaats voor een andere tijd. De negentiende eeuw. Een Europa vol grenzen, legers en rivaliserende staten. Bismarck keek naar het beeld. 'Maar laat één ding duidelijk zijn.' Hij stond op. 'De les van de Franse Revolutie is niet dat macht slecht is.' Hij wees naar de kaart van Europa.
'De les is dat macht zonder verbinding uiteindelijk haar eigen ondergang kan veroorzaken.'
Hij ging weer zitten. Hannah Arendt keek naar hem en moest voor het eerst glimlachen. Niet omdat ze het met hem eens was, maar omdat Bismarck zojuist, zonder het zelf te beseffen, een deur had geopend waar zij later doorheen zou gaan.
Verbinding.
Dat woord zou gedurende de avond steeds belangrijker worden.
Hannah Arendt keek Bismarck enige tijd aan. 'U hebt ons verteld wat u wilde bereiken.'
'Ja.'
'En u geloofde dat een sterke staat daarvoor noodzakelijk was.'
Bismarck knikte.
'Maar u hebt nog niet verteld wat uw macht met uw tegenstanders deed.'
Bismarck keek haar aan. 'Dat is een andere vraag.'
'Maar wel een noodzakelijke.'
Hij bleef zwijgen. Arendt liep naar het scherm. 'Laten we niet alleen kijken naar wat u hebt bereikt. Laten we ook kijken naar de prijs.'
De technicus begreep het teken. Op het scherm verscheen opnieuw Bismarck. Niet de man aan tafel. De staatsman uit een andere tijd: De Duitse eenwording. Menigten met vlaggen. De nieuwe Duitse staat.
De stem van Arendt: 'U slaagde erin Duitsland tot een politieke eenheid te smeden. Dat was een historische prestatie gezien het verleden vol verdeeldheid.'
Een nieuw beeld. Bismarck aan de onderhandelingstafel.
'U bouwde een sterk staatsapparaat. U wist de grote Europese mogendheden lange tijd met elkaar in evenwicht te houden.'
Een nieuw beeld verscheen: Arbeiders in fabrieken ten tijde van de industriële revolutie. 'En u begreep dat de staat ook verantwoordelijkheid moest nemen voor de sociale gevolgen van industrialisatie. Uw sociale wetgeving vormde een belangrijke eerste stap naar wat later de moderne verzorgingsstaat zou worden.'
Bismarck keek zwijgend naar het scherm.
Arendt: 'Dat waren uw successen.'
Toen veranderde het beeld. Een ander Duitsland werd zichtbaar. Één met politie, verboden bijeenkomsten, socialisten. 'Maar er was ook een andere Bismarck.'
Bismarck keek op.
'Een die weinig geduld had met politieke tegenstand.'
Op het scherm verschenen beelden van de strijd tegen de socialistische beweging. 'Een Bismarck die tegenstanders niet alleen wilde overtuigen, maar ook wilde beperken.'
Een stilte. 'U gebruikte de macht van de staat om bewegingen die u gevaarlijk vond aan banden te leggen.'
Bismarck antwoordde: 'Omdat ik ze gevaarlijk vond.'
'Dat weet ik.'
'En ik had redenen.'
'Dat betwist ik niet.'
Arendt draaide zich naar hem om. 'Maar ziet u het verschil tussen iemand die gevaarlijk is en iemand die het niet met u eens is?'
Bismarck keek haar strak aan. 'Dat verschil is niet altijd eenvoudig te bepalen.'
'Precies.'
Ze liep terug naar de tafel. 'En daar ligt een van de moeilijkste problemen van politiek leiderschap. Wie macht bezit, krijgt gemakkelijk de neiging zijn eigen oordeel te verwarren met het algemeen belang.'
Bismarck antwoordde niet.
Arendt vervolgde: 'U geloofde dat u Duitsland beschermde.'
'Dat deed ik.'
'Maar u bepaalde zelf waartegen Duitsland beschermd moest worden.'
'Als leider moest ik dat doen.'
'En daarmee ontstaat het gevaar.'
Bismarck keek haar aan. 'Welk gevaar?'
'Dat een leider die ervan overtuigd raakt dat hij het algemeen belang vertegenwoordigt, steeds minder ruimte overlaat voor mensen die het daar niet mee eens zijn.'
Bismarck stond op. 'U doet alsof ik een dictator was.'
'Geenszins.'
'Maar u suggereert het.'
'Ik probeer iets moeilijkers te doen.'
'Wat?'
Arendt keek hem recht aan. 'U serieus nemen.'
Bismarck zweeg.
'Als ik u zou afschilderen als een slechte man, hoeven we niets meer te onderzoeken. Dan kunnen we u veroordelen en naar huis gaan.' Ze keek naar de lege stoelen. 'Maar u was geen karikatuur, u was een staatsman, u hebt iets opgebouwd, u hebt verantwoordelijkheid genomen. U hebt beslissingen genomen die in uw tijd noodzakelijk leken.' Ze liet een stilte vallen. 'En juist daarom moeten we kijken naar de andere kant.'
Bismarck ging langzaam weer zitten.
Arendt: 'Wat gebeurt er wanneer een sterke leider te lang gewend raakt aan het feit dat hij gelijk moet hebben?'
Bismarck keek naar de tafel. 'Dan kan hij blind worden.'
Arendt knikte. 'Dat is mijn vraag.' Ze keek naar hem. 'Niet of sterke leiders nodig zijn, maar of een leider sterk genoeg kan zijn om ook zijn eigen macht te wantrouwen.'
Bismarck keek haar aan. 'Dat is een merkwaardige vorm van kracht.'
'Misschien wel de moeilijkste.'
Hij zweeg. Op het scherm verscheen een laatste beeld. Bismarck op hoge leeftijd. Ooit de machtigste man van Duitsland. Nu op afstand van de regering, zijn politieke tijd voorbij.
Arendt sprak zacht: 'Uiteindelijk werd u zelf door de macht terzijde geschoven.'
Bismarck keek naar zijn eigen beeld. 'Dat is politiek.'
'En wat hebt u daarvan geleerd?'
Bismarck keek lang naar het scherm. Toen zei hij:
'Dat geen enkele staatsman groter is dan de staat die hij dient.'
Bismarck keek naar haar. 'Misschien,' zei hij, 'moet ik daar nog iets aan toevoegen.'
'Wat?'
'Dat ook geen enkele staat groter is dan de mensen voor wie hij bestaat.'
Arendt keek hem aan. Voor het eerst zei ze niets. Het scherm werd zwart.
– Hoofdstuk
3 –
Hoe
lang loopt de leider voorop?
Bismarck had zijn kaarten op tafel gelegd. De staatsman die de Duitse eenwording had bewerkstelligd. De man die geloofde dat een staat richting nodig had, dat macht zonder daadkracht weinig betekende en dat een leider soms beslissingen moest nemen zonder te kunnen wachten op volledige instemming. Maar ook de man die had erkend dat macht zonder legitimiteit uiteindelijk haar eigen grenzen tegenkomt.
Arendt keek naar de grote stoel. 'U hebt ons veel gegeven om over na te denken.'
Bismarck knikte. 'Ik neem aan dat u nog niet overtuigd bent.'
'Nee.'
'Dat had ik ook niet verwacht.' Er verscheen een korte stilte. 'Maar ik ben wel benieuwd,' zei Bismarck, 'wie u tegenover mij gaat zetten.'
Arendt keek naar de coulissen. 'Dat zult u zien.'
Bismarck leunde achterover. 'Een man die het anders heeft gedaan?'
'Een man die onder andere omstandigheden voor een andere opgave kwam te staan.'
Bismarck keek haar aan. 'Dan ben ik benieuwd.'
Arendt draaide zich om naar de technicus. 'Laat ons zien in welke wereld de volgende staatsman zijn beslissingen moest nemen.' De technicus knikte en de lichten doofden. Op het grote scherm verscheen Londen. Donkere straten, luchtalarm en zoeklichten die door de nacht sneden. Sirenen. Mensen die hun toevlucht zochten in metrostations, een kind die door een vrouw bij de hand werd genomen. Een stad die zich schrap zette voor wat komen ging. De stem van de technicus klonk zacht: 'Londen. 1940.'
Vanuit de coulissen klonk opnieuw het geluid van voetstappen. Ze kwamen dichterbij. Toen verscheen een gezicht; een breed voorhoofd met een sigaar in de mond. Een blik die tegelijk vermoeid en onverzettelijk was: Winston Churchill.
Hannah Arendt stond naast de tafel. Het beeld op het scherm veranderde. Churchill in het parlement, tussen soldaten, op een perron, op straat omringd door burgers. Steeds weer dezelfde man in dezelfde houding. Niet iemand die probeerde de angst weg te nemen, maar iemand die haar onder ogen zag.
Het scherm werd zwart en de zaal bleef stil.
Hannah Arendt keek naar Bismarck. 'U hebt de beelden gezien.'
Bismarck knikte. 'Een land in oorlog.'
'En een leider die probeert het bijeen te houden.'
Ze keek naar de coulissen. 'Meneer Churchill.'
Een gestalte verscheen. Hij liep niet haastig. Hij liep alsof hij wist dat iedereen op hem wachtte. Donker pak. Zakhorloge. Sigaar. Churchill bleef naast de tafel staan.
Hij keek eerst naar Bismarck. Toen naar Arendt.
'U hebt mij laten wachten.'
'Dat was niet mijn bedoeling.'
'Dan moet u uw technicus eens spreken.'
Vanuit de zaal klonk gelach en Churchill keek om. 'Goed. Er zijn nog mensen wakker.'
Arendt glimlachte kort. 'Welkom.'
Churchill keek naar de tafel. 'Is dit de plaats waar wij het leiderschap gaan bespreken?'
'Dat is de bedoeling.'
Hij trok een stoel naast Bismarck naar achteren en ging zitten.
Arendt keek naar hem. 'U hebt een groot deel van uw politieke leven gewijd aan de vraag hoe een land door moeilijke tijden heen komt.'
Churchill: 'Dat klinkt alsof ik er plezier in had.'
'Had u dat niet?'
Churchill keek haar aan. 'Nee, maar toen het nodig was, moest iemand het doen.'
Arendt knikte. 'Wat was volgens u de eerste taak van een leider in een crisis?'
Churchill dacht even na. 'De waarheid vertellen.'
Bismarck keek op. Churchill vervolgde: 'Niet noodzakelijk de waarheid die mensen graag horen.' Hij nam zijn sigaar uit de mond. 'De waarheid die zij nodig hebben om te begrijpen waarvoor zij staan.'
Arendt: 'En daarna?'
'Hen ervan overtuigen dat zij het aankunnen.'
Bismarck keek hem aan. 'Dat klinkt als inspiratie.'
Churchill: 'Inspiratie is een groot woord.'
'Maar u gebruikte woorden om mensen in beweging te krijgen.'
'Natuurlijk.'
Churchill keek naar het scherm waarop zojuist Londen was te zien. 'Een leger kan een vijand verslaan, maar een bevolking moet eerst besluiten dat zij niet zal wijken.' Hij zweeg even. 'Dat besluit kun je niet bevelen.'
Arendt keek hem aandachtig aan.
Churchill vervolgde: 'Je kunt mensen angst aanjagen, je kunt ze dwingen, je kunt ze zelfs gehoorzaamheid afdwingen.' Hij keek naar Bismarck. 'Maar je kunt geen moed bevelen.' Churchill leunde iets naar voren en zei.
'Moed moet ergens van binnenuit komen.'
Arendt keek naar hem. 'Dan verschilt uw opvatting van leiderschap van die van meneer Bismarck.'
Churchill schudde zijn hoofd. 'Niet noodzakelijk.'
'Waarom niet?'
'Omdat een leider soms ook moet beslissen.'
Hij keek naar Bismarck. 'Daarin heeft hij gelijk.'
Bismarck knikte.
'Maar?'
Churchill keek naar Arendt. 'Maar een leider die alleen maar beslissingen neemt, heeft nog geen samenleving geleid.'
Arendt: 'Wat ontbreekt er?'
'Vertrouwen.' Hij sprak het woord gedecideerd uit. 'Mensen moeten geloven dat wat hun gevraagd wordt te doen ergens toe dient. En dat degene die het van hen vraagt bereid is dezelfde prijs te betalen.'
Arendt knikte langzaam. 'Dus leiderschap is voor u niet alleen richting geven.'
'Nee.'
'Maar ook jezelf verbinden met degenen die je leidt.'
Churchill keek haar aan. 'Een leider die boven zijn mensen gaat staan, staat uiteindelijk alleen.'
Bismarck keek hem aan. Voor het eerst sinds hij aan tafel zat, leek hij na te denken over iets anders dan macht.
Churchill draaide zich naar hem toe. 'U weet dat.'
Bismarck: 'Misschien.'
Churchill glimlachte. 'Dat is voor vandaag al heel wat.'
Arendt keek naar beide mannen. Twee beroemde staatslieden, twee roerige tijdperken en twee opvattingen over leiderschap. En toch hadden ze iets gemeen. Beiden geloofden dat een samenleving soms iemand nodig heeft die opstaat wanneer anderen aarzelen. De vraag was alleen:
Hoe lang moet die leider voorop blijven lopen?
Arendt stelde de vraag niet. Nog niet.Zekeek naar de technicus. 'Laat ons Churchill zien.'
De zaal werd donker. Op het scherm verscheen wederom Londen. Maar nu niet het Londen van 1940. Een ander Londen. Jonger en zelfverzekerder. Churchill als jong parlementariër. Daarna beelden uit de Eerste Wereldoorlog. Loopgraven vol soldaten. Een wereld die zichzelf vernietigt.
Het beeld verschoof. Churchill als minister en oppositieleider. Steeds opnieuw hetzelfde gezicht. Een man die zich niet gemakkelijk liet ontmoedigen. De beelden versnelden en Churchill wordt premier. Een land staat alleen tegenover nazi-Duitsland. Op het scherm verschenen beelden van een zwaar beschadigd Londen. Rokende puinhopen en mensen die tussen de resten van hun huizen zoeken naar wat nog bruikbaar was.
En dan Churchill op een balkon tussen gewone mensen. Zijn arm omhoog gestoken, zijn hand maakt het bekende gebaar. Een menigte reageert opgetogen. Daarna het parlement met Churchill aan het spreekgestoelte. Niet langer alleen een politicus, maar ook een stem, een symbool.
De beelden volgden elkaar op. Conferenties met bondgenoten Roosevelt en Stalin. De oorlog die uiteindelijk wordt gewonnen. Europa bevrijd. Churchill tussen de overwinnaars. Het scherm vulde zich met gejuich. Een groot moment.
Toen werd het stil. Het beeld veranderde. De oorlog is voorbij en er zijn verkiezingen. De man die het land door de oorlog heeft geleid, wordt door de kiezer naar huis gestuurd. Churchill staat op een perron. Geen juichende menigte dit keer, alleen een trein die vertrekt. Het beeld bleef enkele seconden staan.
Daarna verscheen India op het scherm. Brits-Indië. Massa's mensen die demonstreerden. Gandhi en de onafhankelijkheidsbeweging. De spanning tussen het Britse Rijk en de roep om zelfbestuur. De stem van de technicus klonk zacht: 'Churchill was een groot verdediger van het Britse Rijk.'
Het beeld veranderde opnieuw. Hongersnood in Bengalen. Mensen met lege gezichten op straat. Armoede. Het beeld verdween. Churchill zat roerloos aan tafel.
Arendt keek niet naar hem. Ze liet de beelden voor zichzelf spreken.
Een laatste beeld verscheen. Churchill op hoge leeftijd. Een groot staatsman. Een man die geschiedenis had gemaakt. Onder het beeld verscheen één zin:
'Een groot leider kan een land redden en toch niet altijd begrijpen wanneer zijn tijd voorbij is.'
Het scherm doofde. De zaal bleef stil. Churchill keek enige tijd voor zich uit. Toen zei hij: 'U hebt mijn goede momenten laten zien.'
Arendt: 'En uw moeilijke momenten.'
Churchill knikte. 'Dat is eerlijk.'
Bismarck keek naar hem. 'U hebt uw land door een oorlog geleid.'
Churchill keek hem aan. 'Dat heb ik.'
'En daarna stuurde het land u weg.'
Churchill glimlachte flauwtjes. 'Dat is het aardige van democratie.'
Arendt keek hem aan. 'Of het pijnlijke.'
Churchill dacht even na. 'Beide.'
Hij keek naar het scherm. 'Tijdens de oorlog had ik een duidelijke opdracht: Overleven.'
'En daarna?'
'Daarna wilde het volk iets anders.'
Arendt: 'Wat?'
Churchill keek naar haar. 'Een ander leven.'
'En kon u daarin meegaan?'
Churchill keek naar zijn handen. 'Dat was moeilijker.'
Arendt knikte. 'Misschien zit daar een belangrijke les.'
Churchill keek op. 'Welke?'
'Dat een leider niet alleen moet weten hoe hij een volk door een crisis moet leiden. Hij moet ook weten wanneer hij het leiderschap weer aan het volk moet teruggeven.'
Arendt stond op. 'Dank u.'
Churchill knikte. 'Waarvoor?'
'Omdat u bereid bent niet alleen naar uw overwinning te kijken.'
Ze keek naar de tafel. 'Maar ook naar de vraag wat er daarna komt.'
Het licht werd iets zachter. Arendt keek naar de grote stoel aan het hoofd. 'Misschien is dat wel het moeilijkste moment voor iedere leider.'
Churchill volgde haar blik. 'Welk moment?'
Arendt antwoordde:
'Het moment waarop hij moet besluiten hoeveel ruimte hij zichzelf nog mag toestaan.'
Churchill keek haar indringend aan. 'U zegt dat een leider moet weten wanneer hij ruimte moet maken.'
'Ja.'
'Dat klinkt eenvoudiger dan het is.'
Arendt knikte. 'Dat geloof ik.'
Churchill draaide zich naar haar toe. 'Tijdens een oorlog is het betrekkelijk eenvoudig. Er is een vijand, er is gevaar en er moet worden gehandeld.' Hij zweeg even. 'Maar wanneer de oorlog voorbij is, verdwijnt de duidelijkheid.'
'En daarmee de vanzelfsprekendheid van uw leiderschap,' zei Arendt.
Churchill glimlachte. 'U bent scherp.'
'Dat is mijn werk.'
Hij keek naar Bismarck. 'U had het gemakkelijker.'
Bismarck trok een wenkbrauw op. 'Hoezo?'
'U bouwde een staat en ik moest een land overeind houden.'
Bismarck antwoordde droog: 'Iedere staatsman denkt dat zijn eigen tijd de moeilijkste is.'
Churchill glimlachte. 'Daar zit iets in.'
Er viel een korte stilte. Toen werd Churchill ernstig. 'Maar ik denk dat er iets belangrijkers speelt.'
Arendt keek hem aan. 'Wat?'
'Een leider kan zo gewend raken aan verantwoordelijkheid dat hij vergeet dat het ook betekent dat je anderen de gelegenheid geeft haar te dragen.'
Arendt zei niets.
Churchill vervolgde: 'Tijdens de oorlog moest ik mensen vertellen wat er moest gebeuren. Na de oorlog moesten mensen opnieuw ontdekken wat zij zélf wilden.'
Hij keek naar de zaal. 'Dat is een andere vorm van leiderschap.'
Bismarck: 'Moeilijker?'
Churchill dacht even na. 'Zou kunnen.' Hij glimlachte.
'Een vijand verslaan is soms gemakkelijker dan een samenleving leren wat zij met haar vrijheid moet doen.'
Arendt keek hem aandachtig aan. 'En wat hebt u daarvan geleerd?'
Churchill keek naar het scherm. Daarop verscheen opnieuw Londen. Maar nu zonder bommen, met mensen op straat. Winkels. Kinderen. Een stad die verderging. 'Dat een leider niet alleen verantwoordelijk is voor het voortbestaan van een samenleving.' Hij keek naar Arendt.
'Hij is er ook verantwoordelijk voor dat die samenleving zonder hem verder kan.'
Bismarck keek naar Churchill. 'Dat is een gevaarlijke gedachte.'
'Waarom?'
'Omdat een leider die zichzelf overbodig maakt, zijn eigen macht opgeeft.'
Churchill glimlachte. 'Misschien is dat juist zijn grootste prestatie.'
Arendt keek van de een naar de ander. Ze zei niets, maar ergens in haar hoofd begon een gedachte vorm te krijgen. Misschien was dit precies waar het gesprek naartoe moest. Niet naar de vraag hoe leiders méér macht konden uitoefenen.
Maar naar de vraaghoe zij hun macht konden gebruiken om anderen sterker te maken.
Ze keek naar de technicus. 'We gaan verder.' Het licht op Churchill doofde langzaam. Hij bleef zitten. Niet langer als de man die het gesprek domineerde, maar als een staatsman die zojuist een eerste stap had gezet naar een andere opvatting van leiderschap.
Op het scherm verscheen een nieuwe wereld: Amerika. De jaren 1860. Een kaart van de Verenigde Staten. Het land was in tweeën gescheurd: noord en zuid. De kleuren verdwenen langzaam in elkaar. Daarna verschenen beelden van slagvelden vol soldaten, paarden en kanonnen. Een landschap vol rook. De Amerikaanse Burgeroorlog. Meer dan een oorlog om grondgebied. Een strijd over de vraag wat voor land Amerika zou zijn. De beelden veranderden. Een lange man met donkere jas en hoge hoed. Een gespannen gezicht dat eerder vermoeid dan machtig oogde: Abraham Lincoln.
De technicus liet hem zien zoals hij was geweest: tussen soldaten, op het slagveld, bij zijn kabinet, op het balkon, voor een menigte. En dan een beeld dat langer bleef staan. Lincoln alleen. Alsof hij wist dat geen enkele beslissing hem ongeschonden uit deze oorlog zou laten komen.
De stem van Hannah Arendt klonk vanuit het halfduister: 'Bismarck sprak over het bouwen van een staat. Churchill over het verdedigen van een samenleving. De volgende staatsman kreeg een nog moeilijkere opdracht.' Op het scherm verscheen opnieuw een verdeeld Amerika. 'Hij moest een samenleving bij elkaar houden die zichzelf niet langer als één samenleving zag.'
Het beeld werd zwart. Toen ging langzaam het licht aan op een nieuwe stoel. Lincoln stond in de coulissen. Hij wachtte. Arendt keek naar hem. 'Meneer Lincoln.'
Lincoln knikte. 'Mevrouw Arendt.'
'Welkom.'
Lincoln keek naar Bismarck en Churchill. 'Ik zie dat ik te laat ben.'
Churchill: 'Dat is niet altijd een nadeel.'
Lincoln glimlachte. 'Daar zal ik u aan houden.'
Hij liep naar de tafel. Maar voordat hij ging zitten, keek hij naar de stoel aan het hoofd. Toen koos hij bewust een stoel iets verderop.
Arendt merkte het op. 'Waarom daar?'
Lincoln keek haar aan. 'Omdat ik vermoed dat ik vanavond niet de enige ben die iets te zeggen heeft.' Hij ging zitten.
Arendt keek rond. Drie mannen, drie tijdperken en drie opvattingen over leiderschap. Ze wist dat het gesprek een nieuwe fase inging. Want bij Lincoln zou de vraag niet langer alleen zijn:
Hoe leid je een land?
Maar:
Hoe leid je mensen wanneer zij elkaar niet meer als één volk kunnen zien?
– Hoofdstuk
4 –
Een
verdeeld land
Lincoln keek naar de mannen tegenover hem: Bismarck en Churchill. Twee staatslieden uit werelden die hij kende, maar die nooit de zijne waren geweest. Toen keek hij naar Hannah Arendt. 'U wilt weten hoe ik heb geregeerd.'
'Dat is de bedoeling.'
Lincoln knikte. 'Dan moet ik u eerst vertellen dat ik nooit de gelegenheid heb gehad om rustig te regeren.'
Churchill glimlachte. 'Die gelegenheid is zeldzaam.'
Lincoln keek hem aan. 'Waarschijnlijk.'
Churchill knikte.
Lincoln ging rechtzitten. 'Toen ik president werd, was mijn land al diep verdeeld.' Hij keek naar het scherm. De kaart van de Verenigde Staten verscheen opnieuw. Noord en Zuid. 'Niet verdeeld over een onbelangrijk politiek verschil. We stonden tegenover elkaar over een vraag die uiteindelijk veel groter bleek dan politiek.' Hij zweeg even. 'Over de vraag of een mens het eigendom van een ander mens kon zijn.'
Het scherm toonde beelden van slavenarbeid. Lincoln keek ernaar. 'Ik wist dat de kwestie van slavernij niet eindeloos kon worden uitgesteld. Maar ik wist ook dat een land niet zomaar uit elkaar kan vallen zonder dat daar een enorme prijs voor wordt betaald.'
Bismarck luisterde aandachtig. 'Dus koos u voor de eenheid.'
Lincoln keek hem aan. 'Ik koos voor de Unie. Dat is niet hetzelfde.'
Bismarck zweeg en Lincoln vervolgde: 'Een land bestaat niet alleen uit grondgebied. Het bestaat uit mensen die bereid zijn een gemeenschappelijke toekomst te delen.' Hij keek naar de kaart. 'Toen die bereidheid verdween, kwam mijn grootste verantwoordelijkheid in beeld: Het land bij elkaar houden.'
Churchill knikte. 'En daarvoor moest u oorlog voeren.'
Lincoln bleef even stil. 'Ja, maar dat was geen keuze die ik lichtvaardig heb gemaakt.' Hij keek naar de zaal. 'Oorlog klinkt op papier als een politieke beslissing. In werkelijkheid zijn het mensen die sterven.' Het scherm toonde een slagveld met gewonde en dode soldaten. Lincoln keek niet weg. 'Ik heb geleerd dat een leider nooit mag vergeten dat achter iedere beslissing mensenlevens schuilgaan.'
Churchill: 'Dat weet iedere leider die oorlog heeft gevoerd.'
Lincoln keek hem aan. 'Maar weten is niet hetzelfde als voelen.'
Hij stond op. 'Ik bezocht ziekenhuizen.' Op het scherm verschenen gewonde soldaten. 'Ik sprak met soldaten. Ik zag jonge mannen die enkele dagen eerder nog boeren, vaders of zonen waren. En ik zag wat politiek betekent wanneer woorden niet meer voldoende zijn.' Hij liep langzaam naar het scherm. 'Daarom werd de Emancipation Proclamation voor mij meer dan een politieke maatregel.' Het document verscheen in beeld. 'Het was een morele keuze.' Hij draaide zich om. 'De oorlog ging niet langer alleen over het behoud van de Unie. Hij ging ook over de vraag wat voor Unie wij wilden behouden.'
Arendt keek hem aan. 'U veranderde daarmee de betekenis van de oorlog.'
Lincoln knikte. 'Misschien, maar ik veranderde ook.' Hij ging weer zitten. 'Dat wordt vaak vergeten wanneer mensen naar geschiedenis kijken.' Hij keek naar de andere mannen. 'Men denkt dat een leider aan het begin van zijn ambt al weet wat hij aan het einde zal weten.'
Bismarck: 'Dat is zelden zo.'
Lincoln glimlachte. 'Daar zijn we het dan over eens. Ik begon mijn presidentschap met bepaalde overtuigingen. De oorlog dwong mij sommige daarvan opnieuw te bekijken. Dat is ook een onderdeel van leiderschap.'
Arendt: 'Je overtuigingen kunnen veranderen?'
'Als de werkelijkheid je daartoe dwingt.' Hij keek naar haar. 'Een leider die nooit van inzicht verandert, is doof.'
Bismarck keek op en Churchill glimlachte.
Lincoln vervolgde: 'Ik geloofde in de Unie, maar ik ontdekte gaandeweg dat eenheid niet kan betekenen dat we onrecht ongemoeid laten om de vrede te bewaren.' Hij liet een stilte vallen. 'Vrede zonder recht is geen echte vrede.'
Op het scherm verscheen een beeld van Lincoln tijdens zijn tweede inauguratie. Een menigte. Een land dat door oorlog was verwoest. Zijn gezicht vermoeid. Zijn stem klonk zacht over de zaal: 'Met kwaad jegens niemand, met liefdadigheid voor allen.'
Het beeld verdween. Lincoln bleef zitten. 'Tegen het einde van de oorlog wist ik dat het moeilijkste nog moest beginnen.'
Churchill: 'De overwinning?'
Lincoln schudde zijn hoofd. 'De vrede.'
Bismarck keek hem aan. 'Waarom?'
'Omdat het gemakkelijk is een vijand te verslaan.' Hij keek naar de tafel. 'Veel moeilijker is het om daarna met hem samen te leven.'
Arendt keek hem aandachtig aan. Lincoln vervolgde: 'Ik wilde geen vrede die gebaseerd was op vernedering. Ik wilde geen Zuiden dat voor altijd door het Noorden zou worden gestraft. Ik wilde dat de mensen die tegenover elkaar hadden gestaan weer Amerikanen konden worden.'
Churchill: 'Verzoening.'
Lincoln knikte. 'Ja.' Hij keek naar het scherm. 'Een verdeeld land kun je niet uitsluitend met wetten verenigen. Je moet mensen opnieuw het gevoel geven dat zij ergens bij horen.'
Arendt: 'Verbondenheid.'
Lincoln keek haar aan. 'Precies. Het zou de kern van leiderschap kunnen zijn.'
Bismarck fronste. 'U begon met oorlog.'
'Ja.'
'En u eindigt met verbondenheid.'
Lincoln keek hem aan. 'Omdat oorlog het probleem niet oplost.' Hij wees naar de kaart op het scherm. 'Het beëindigt hooguit een geschil. Daarna begint het echte werk.'
Het scherm werd zwart. Lincoln keek naar de ruimte voor zich. 'Ik heb niet lang genoeg geleefd om dat werk af te maken.' Niemand reageerde. 'Maar ik geloofde dat een leider uiteindelijk niet wordt herinnerd om de macht die hij bezat.'
Hij keek naar Arendt.
'Hij wordt herinnerd om wat er met mensen gebeurde terwijl hij die macht bezat.'
De woorden bleven in de zaal hangen. Voor het eerst die avond was de grote tafel volledig stil. Bismarck keek naar zijn handen. Churchill keek naar Lincoln. Hannah Arendt keek naar de zaal. Ze wist dat de volgende vraag niet over oorlog zou gaan, ook niet over macht. En zelfs niet over leiderschap. Maar over iets veel moeilijkers:
Wat een leider doet met de mensen die aan hem zijn toevertrouwd.
Hannah Arendt keek naar hem. 'U sprak over verzoening.'
Lincoln knikte.
'Maar niet iedereen wilde verzoening.'
Lincoln keek haar aan. 'Dat weet ik.'
'Sommigen zagen u niet als degene die het land probeerde te redden, maar als degene die hun wereld vernietigde.'
Arendt keek naar de technicus. 'Laat ons zien wie daar anders over dacht.'
Het scherm lichtte op. Een theater werd zichtbaar en een jonge man: John Wilkes Booth. Een acteur, zelfverzekerd, populair. Een man die gewend was dat mensen naar hem keken. Het beeld veranderde. Zuidelijke vlaggen, menigten, toespraken en vette krantenkoppen. De Amerikaanse Burgeroorlog. Daarna Lincoln. De Emancipation Proclamation. Soldaten. De overwinning van het Noorden. De slavernij die haar wettelijke basis verloor. En vervolgens Booth. Steeds bozer en radicaler.
De technicus liet het beeld langzaam donkerder worden. Arendt sprak: 'Voor Booth was u geen verzoener.' Ze keek naar Lincoln. 'U was een tiran.'
Lincoln bleef rustig. 'Dat wist ik.'
'Hij geloofde dat u de macht van de federale regering gebruikte om de rechten van de zuidelijke staten te vernietigen.'
'Dat geloofde hij.'
'En uiteindelijk besloot hij dat u moest sterven.'
Lincoln knikte. 'Ja.'
Arendt: 'Wat doet het met u om te weten dat iemand u vanuit zijn overtuiging als het kwaad zag?'
Lincoln keek enige tijd naar het scherm. 'Dat is misschien wel het moeilijkste aan politiek.'
'Wat?'
'Dat twee mensen naar dezelfde werkelijkheid kunnen kijken en er een volkomen andere betekenis aan kunnen geven.'
Arendt: 'En hoe ga je daarmee om?'
Lincoln dacht na. 'Door niet te vergeten dat degene tegenover je ook een mens is.'
Bismarck keek op. 'Zelfs wanneer hij je wil vernietigen?'
Lincoln keek hem aan. 'Juist dan.'
Churchill trok langzaam aan zijn sigaar.
Lincoln vervolgde: 'Als wij onze tegenstander ontmenselijken, wordt alles geoorloofd. Dan wordt politiek een strijd waarin uiteindelijk alleen nog winnaars en verliezers bestaan.'
Arendt: 'Maar u moest wel besluiten nemen.'
'Zeker.'
'En die beslissingen hebben mensen zoals Booth als een aanval op hun wereld ervaren.'
Lincoln knikte. 'Dat kan.' Hij keek naar de zaal. 'Leiderschap betekent niet dat iedereen je gelijk geeft. Soms moet je een beslissing nemen waarvan je weet dat een deel van de samenleving die zal verwerpen. Maar juist dan moet je oppassen dat je je tegenstander niet gaat zien als iemand die geen plaats meer heeft in jouw wereld.'
Arendt keek hem aan. 'Is dat wat u probeerde te voorkomen?'
Lincoln antwoordde zacht: 'Dat was mijn hoop. Maar ik weet niet of ik daarin volledig ben geslaagd.'
Op het scherm verscheen het Ford's Theatre. Een avond in april 1865. Mensen komen naar binnen. Lincoln arriveert. Het beeld bleef even staan. Daarna zwart. De zaal was muisstil.
Arendt keek naar Lincoln. 'U werd vermoord door iemand die ervan overtuigd was dat hij daarmee zijn land diende.'
Lincoln knikte. 'Ja.'
'Wat zegt dat over leiderschap?'
Lincoln keek naar zijn handen. 'Dat macht niet alleen verandert wat een leider doet.' Hij keek op.
'Macht verandert ook wat anderen over hem gaan geloven.'
Lincoln vervolgde: 'Daarom moet een leider niet alleen nadenken over de besluiten die hij neemt. Hij moet ook nadenken over de samenleving die door die besluiten ontstaat.'
Bismarck keek naar hem. 'Dat is een zware verantwoordelijkheid.'
Lincoln: 'Leiderschap ís een zware verantwoordelijkheid.'
Hij keek naar de lege stoel aan het hoofd van de tafel. 'Misschien zwaarder dan de meesten beseffen.'
Toen klonk opnieuw een stem uit de luidsprekers. 'Mag ik?'
Arendt draaide zich om en stak haar duim op.
Op het scherm verscheen het gezicht van John Wilkes Booth. Niet op het toneel, alleen zijn gezicht op het grote scherm. 'Ik heb geluisterd naar meneer Lincoln.'
Arendt: 'En?'
Booth keek recht de zaal in. 'Hij spreekt over verzoening.' Hij lachte kort. 'Dat klinkt mooi.'
Lincoln bleef zwijgen. 'Maar vanuit mijn wereld zag het er anders uit.'
Op het scherm verschenen aangrijpende beelden van het Zuiden: Verbrande steden, vluchtende gezinnen en gewonde soldaten. Een uiteengereten samenleving. 'Wij geloofden dat onze manier van leven werd vernietigd. Wij geloofden dat Washington ons onze vrijheid afnam.'
Arendt: 'Uw vrijheid?'
Booth keek haar aan. 'Ja.'
'Ook wanneer die vrijheid betekende dat andere mensen hun vrijheid niet hadden?'
Booth antwoordde niet onmiddellijk. 'Ik weet wat u daarover zult zeggen. Dat verandert niets aan wat ik geloofde.'
Arendt: 'Dat is precies waarom u hier bent.'
Booth keek haar vragend aan. 'Waarom?'
'Omdat een samenleving gevaarlijk wordt wanneer mensen zo overtuigd raken van hun eigen gelijk dat zij niet meer kunnen zien wat hun overtuiging met anderen doet.'
Booth zweeg.
'U vond Lincoln een tiran.'
'Dat vond ik.'
'En u vond dat zijn dood gerechtvaardigd was.'
Booth keek weg. 'Ik geloofde dat ik mijn land diende.'
Lincoln keek naar hem. Voor het eerst sprak hij. 'En toch bent u hier.'
Booth keek op. 'Ja.'
'En wat denkt u nu?'
Booth bleef lang stil. Toen zei hij: 'Dat een overtuiging gevaarlijk kan worden.'
Arendt keek op. 'Leg uit.'
'Wanneer je lang genoeg gelooft dat jij voor het goede vecht, wordt degene tegenover je steeds gemakkelijker het kwaad. En wanneer hij het kwaad is, lijkt bijna alles geoorloofd.'
Lincoln knikte langzaam.
Booth vervolgde:
'Misschien begint geweld niet met een wapen, maar op het moment waarop je ophoudt de ander als mens te zien.'
Booth keek naar Lincoln. 'U sprak over één land, maar ik zag twee Amerika's. U sprak over verzoening, maar ik zag verraad. Misschien was dat onze grootste tragedie.'
Arendt: 'Welke?'
'Dat we zo lang tegenover elkaar stonden dat we vergaten dat we uiteindelijk allemaal onderdeel waren van hetzelfde land.'
Het beeld werd donker. Voordat het verdween, vroeg Arendt: 'Als u één ding mocht veranderen aan uw eigen geschiedenis, wat zou dat dan zijn?'
Booth keek haar aan. Lange stilte. 'Dat ik eerder had geprobeerd te begrijpen waarom de ander geloofde wat hij geloofde.'
Lincoln sloot even zijn ogen.
Arendt bleef naar het scherm kijken. Toen zei ze zacht: 'Misschien begint verzoening daar.'
Churchill: 'Waar?'
Arendt draaide zich om.
'Op het moment waarop je besluit de ander niet langer te bestrijden voordat je hem hebt geprobeerd te begrijpen.'
Bismarck keek naar Lincoln. Lincoln keek naar Arendt. En niemand zei iets. Luid gerinkel deed het gezelschap opschrikken. Een seerveerster kwam met een karretje het podium opgereden om de sprekers een drankje aan te bieden. Zij maakten er dankbaar gebruik van. Na een toost te hebben uitgebracht op de avond, keken ze op. Op het scherm stond een nieuwe naam geprojecteerd: Zuid-Afrika.
De beelden waren anders. Geen oorlogsschepen, legers en slagvelden. Wel een gevangenis en een man achter de tralies. Jong. Dan ouder. Dan grijs. Jaren gingen voorbij. De naam verscheen in beeld: Nelson Mandela.
De beelden volgden elkaar op. Robbeneiland. De gevangenisdeur. De lange wandeling naar de vrijheid. Een menigte. Een verkiezingsdag. Een zwarte meerderheid die voor het eerst haar stem uitbracht en een witte minderheid die moest leren leven met een nieuwe werkelijkheid. En toen: president Mandela. Niet met gebalde vuisten, niet met een wapen, maar met uitgestoken handen.
Hannah Arendt keek naar het scherm. 'Misschien,' zei ze, 'is het tijd om te onderzoeken wat er gebeurt wanneer iemand na jaren van strijd eindelijk de macht krijgt waar hij zo lang voor heeft gevochten.'
Ze keek naar Lincoln. 'En vervolgens besluit er iets anders mee te doen.'
Arendt draaide zich naar de coulissen. 'Meneer Mandela.'
'Ik ben hier.'
De zaal werd donker. Een enkele lichtbundel viel op de ingang. Nelson Mandela verscheen. Hij bleef even staan en keek naar de tafel. Naar Lincoln. Naar Churchill. Naar Bismarck. Toen naar Arendt. En glimlachte. 'Ik geloof dat ik iets te vertellen heb.'

