De bezielde samenleving

Tjeerd Roosjen

De bezielde samenleving

 – Proloog –

Maria had nooit de behoefte gehad om de wereld te veranderen; ze wilde er alleen graag in kunnen leven. Dat klinkt als een bescheiden wens, maar hoe langer ze erover nadacht, hoe ingewikkelder die werd. Ze verlangde naar een samenleving waarin mensen volwassen met elkaar konden omgaan. Een samenleving waarin verschil niet automatisch tot strijd leidde, waarin mensen naar elkaar konden luisteren zonder altijd te hoeven bewijzen dat ze gelijk hadden. Een samenleving waarin macht niet tegenover vrijheid stond en vrijheid niet tegenover verantwoordelijkheid. Een waarin je het met elkaar oneens mocht zijn zonder elkaar tot vijand te maken. Dat leek haar niet eens zo'n vreemde gedachte. Toch leek de werkelijkheid er steeds verder van af te bewegen.

Maria woonde en werkte in Den Haag. Ze werkte op een groot ministerie, op een afdeling waar beleid werd voorbereid, besproken, aangepast en uiteindelijk in keurige documenten werd vastgelegd. Ze kende de wereld van nota's, overlegstructuren, vergaderingen en beleidsvoornemens. Ze had er geen hekel aan, integendeel, ze hield van de gedachte dat mensen hun samenleving bewust konden organiseren. Dat regels niet zomaar regels waren, maar bedoeld om het samenleven mogelijk te maken. Dat je met verstand, overleg en goede wil iets kon verbeteren.

Maar ze had ook geleerd dat goede bedoelingen niet altijd tot goede resultaten leidden. Soms leek het alsof iedere oplossing ergens anders weer een probleem veroorzaakte. Meer regels betekende meer controle, meer vrijheid betekende minder verbondenheid, meer welvaart betekende niet vanzelf meer geluk, meer informatie niet automatisch meer begrip. En politiek leek steeds vaker te draaien om de vraag wie er gelijk had, in plaats van om de vraag wat werkelijk goed was voor de samenleving.

Dat vond ze vermoeiend. Niet alleen de politiek zelf, maar vooral de voortdurende strijd. Het verharde debat, de scherpe tegenstellingen, het elkaar voortdurend onderbreken, het immer uitvergroten van verschillen, het eeuwig zoeken naar schuldigen en de ingebakken behoefte om te winnen. Ze had er vaak met verbazing naar gekeken. Was dit wat volwassen mensen met elkaar deden wanneer ze gezamenlijk verantwoordelijkheid droegen voor een land?

Ze had nooit de behoefte gevoeld om zelf de politiek in te gaan. Daarvoor was ze te weinig strijdlustig. Of misschien juist te veel gericht op wat er achter de strijd lag. Ze wilde begrijpen, dat was haar eigenaardige talent. Ze keek naar mensen en vroeg zich af waarom ze deden wat ze deden. Waarom iemand die zichtbaar boos was zo zeker wist dat de ander de oorzaak van zijn boosheid was. Waarom mensen soms hun eigen vrijheid verdedigden, maar die van een ander moeilijk konden verdragen. Waarom iemand die macht had, die macht steeds verder wilde uitbreiden. Waarom mensen die verlangden naar verbinding zich toch steeds opnieuw terugtrokken in hun eigen gelijk. En waarom zoveel mensen, terwijl ze zeiden dat ze vrij wilden zijn, zich tegelijkertijd zo gemakkelijk lieten leiden door angst, verwachtingen en de mening van anderen.

Dat was wel de reden dat ze ambtenaar was geworden. Ze wilde niet boven mensen staan, ze wilde niet tegenover mensen staan, ze wilde iets kunnen bijdragen. Dienen, had ze het zelf genoemd. Niet omdat ze zichzelf onbelangrijk vond, maar omdat ze diep vanbinnen geloofde dat een samenleving pas volwassen kon worden wanneer mensen bereid waren hun eigen verantwoordelijkheid te dragen én iets voor een ander te betekenen.

Zelfleiderschap en hoederschap. Die twee woorden waren de laatste tijd steeds vaker in haar leven opgedoken, maar ze wist niet precies wat ze ermee aan moest. Zelfleiderschap betekende voor haar in ieder geval dat mensen niet voortdurend naar anderen wezen voor de oplossing van hun problemen. Dat ze leerden nadenken, verantwoordelijkheid nemen voor hun keuzes en niet automatisch meegingen met angst, verleiding of groepsopvatting. En hoederschap? Daar voelde ze iets bij wat ze moeilijk onder woorden kon brengen. Was het de gedachte dat macht niet bedoeld was om boven anderen uit te stijgen, maar om iets te beschermen? Dat een leider geen eigenaar van de samenleving was, maar er tijdelijk verantwoordelijkheid voor droeg.

Het waren mooie gedachten. Maar hoe zou zoiets er in werkelijkheid uitzien? Daar had ze geen antwoord op. Ze wist alleen dat ze in een samenleving wilde wonen waarin mensen een stap verder waren gekomen. Een samenleving die niet voortdurend hoefde te worden bestuurd door angst, waarin verschil niet onmiddellijk conflict betekende en waarin mensen elkaar niet voortdurend hoefden te bevechten om gehoord te worden. Waarin zorg geen zwakte was en waarin vrijheid niet betekende dat iedereen alleen voor zichzelf hoefde te zorgen. Waarin rijkdom niet ten koste ging van waardigheid en waarin leiders niet hoefden te heersen om leiding te geven.

Een volwassen samenleving dus. Dat was haar stille verlangen. Ze sprak er niet vaak over. Misschien omdat het haar zelf ook wat naïef in de oren klonk, misschien omdat ze niet wist waar ze moest beginnen. Daarom zat ze regelmatig bij Dudok aan het Spui. Een kop koffie, een krant, haar laptop en mensen om haar heen. Het was een plek waar ze graag kwam. Er gebeurde altijd wel iets. Mensen kwamen en gingen. Politici liepen voorbij. Ambtenaren overlegden aan tafeltjes. Studenten zaten met hun boeken voor zich. Toeristen maakten foto's.

En soms hoorde ze gesprekken die haar nieuwsgierig maakten. Ze had er ooit vreemde gesprekken meegemaakt tussen filosofen die al eeuwen dood waren. Plato, Machiavelli, Rousseau, Spinoza, Socrates en Jung. Ze had aanvankelijk gedacht dat het een toneelstuk was. Later was ze daar niet meer zo zeker van. Ze had ook in de Koninklijke Schouwburg gezeten toen daar de voorstelling 'De goede herder' werd opgevoerd. Ze herinnerde zich nog hoe de zaal stil was geworden toen de vraag op het toneel werd gesteld wat macht met een mens doet. Ze had die avond lang naar huis gelopen. Niet omdat ze alle antwoorden had gevonden, juist omdat ze met nog meer vragen thuiskwam.

Misschien was dat haar grootste eigenschap. Ze had geen behoefte aan snelle antwoorden; ze wilde begrijpen. En zo groeide er langzaam een vraag in haar die steeds moeilijker te negeren werd.

Hoe ziet een volwassen samenleving er eigenlijk uit?

Niet bedacht in theorie, niet uitgetekend op papier, niet als verzonnen ideaalbeeld. Maar werkelijk. Hoe leven mensen daarin? Hoe gaan ze met elkaar om? Hoe gaan ze om met macht, vrijheid, geld, natuur en verschil? Welke mens moet je daarvoor zijn? En misschien nog belangrijker:

hoe worden mensen zo'n mens?

Maria wist het niet. Ze wist alleen dat ze het antwoord graag zou willen vinden. En op een avond, enkele weken later, gebeurde er iets wat haar leven zou veranderen. Ze ging naar bed zoals iedere andere avond. Ze zette haar wekker, legde haar telefoon op het nachtkastje, deed het licht uit en viel in slaap. Die nacht droomde Maria. Voor het eerst van een wereld die zij niet kende. Een die tegelijkertijd vreemd en wonderlijk vertrouwd aanvoelde. Een waarin mensen anders met elkaar omgingen, waarin zorg vanzelfsprekend was, waarin ruimte was voor groen, rust en respect. En waar de vraag die haar al zo lang bezighield geen theorie meer was: Ze leefde er.

Toen ze de volgende ochtend wakker werd, wist ze één ding zeker: ze moest de droom opschrijven. Ze wist alleen nog niet dat daarmee haar reis zou beginnen.

– Hoofdstuk 1 –
De eerste ontmoeting

Maria werd wakker van het licht. Niet van het geluid van haar wekker en ook niet van een binnenkomend bericht op haar telefoon. Van warm, goudkleurig licht dat over haar gezicht gleed. Ze opende haar ogen. De eerste gedachte die in haar opkwam was dat ze haar slaapkamer niet herkende. Ze kwam overeind. Onder haar lag geen bed, ze zat op een platte, warme steen. Om haar heen stonden zuilen, imposante witte zuilen. Achter haar rees een groot gebouw op waarvan ze de vorm onmiddellijk herkende, hoewel ze niet begreep hoe het hier kon staan: De Acropolis.

Maria stond op en keek om zich heen. Onder haar lag een stad. Geen moderne stad met verkeer, hoge gebouwen, stoplichten en reclameborden. Athene zoals ze het uit boeken en documentaires kende. Ze hoorde stemmen en voetstappen. In de verte het geluid van dieren. Een ezel balkte, ergens sloeg iemand met een hamer op metaal. De lucht rook naar stof, hout en iets kruidigs dat ze niet kon thuisbrengen. Maria keek naar haar handen. Ze droeg nog steeds haar eigen kleding. Haar broek, blouse en schoenen. Dit kon niet...

Ze draaide zich om en riep: 'Hallo?' Haar stem klonk vreemd in de open ruimte. Niemand antwoordde. Ze liep een paar passen. Toen zag ze hem, een man iets verderop zittend op een lage stenen muur. Hij keek uit over de stad. Hij leek haar niet op te merken. Maria bleef staan. Ze had zijn gezicht eerder gezien in boeken en op schilderijen in de gangen van universiteiten. Een man met een kalme, onderzoekende blik. Ze wist bijna zeker wie het was. Toch durfde ze het niet te vragen.

De man keek op. 'Je bent verdwaald.'

Maria slikte. 'Ja.'

'Waar kom je vandaan?'

Ze keek naar de stad beneden. 'Den Haag.'

De man fronste. 'Den Haag?'

'Nederland.'

Nu keek hij haar echt aan. 'Ik ken geen land dat zo heet.'

Maria zuchtte. 'Dat vermoedde ik al.'

De man glimlachte. 'Kom zitten.'

Maria liep naar hem toe en ging op enige afstand zitten. Een tijdje keken ze samen naar de stad. Toen vroeg hij: 'Waarom ben je hier?'

'Dat weet ik niet.'

'Dat is jammer.'

'Waarom?'

'Omdat mensen meestal pas werkelijk ergens aankomen wanneer ze weten waarom ze zijn vertrokken.'

Maria keek hem aan. 'Wie bent u?'

De man draaide zich naar haar toe: 'Aristoteles.'

Maria lachte nerveus. 'Dat meen je niet.'

'Waarom zou ik dat niet menen?'

'Omdat Aristoteles al heel lang dood is.'

Aristoteles keek weer naar de stad. 'En toch zit je hier met mij.'

Maria wist niet wat ze daarop moest zeggen. Ze voelde aan haar gezicht. Het voelde echt. De steen onder haar handen voelde ook echt. Ze rook de lucht en hoorde de stad. Alles voelde werkelijk.

'Ik droom,' zei ze.

'Waarschijnlijk.'

'Waarschijnlijk?'

'Hoe weet je dat je wakker bent?'

Maria keek hem aan. 'Ik ben gewoon wakker.'

Aristoteles glimlachte. 'Dat zeggen de meeste mensen.'

Hij stond op. 'Kom.'

'Waarheen?'

'Ik wil je iets laten zien.'

Ze volgde hem en liepen naar de rand van de Acropolis. Daar bleef Aristoteles staan. Voor hen lag de stad en Maria keek ernaar. Het was prachtig. Niet omdat alles perfect was, integendeel, ze zag drukte, mensen die handel dreven, die elkaar iets toeriepen. Armen, rijken, slaven, kinderen, soldaten, handelaren en filosofen. Mensen die haast hadden en mensen die niets leken te doen. Een samenleving net als de hare, alleen anders.

Aristoteles wees naar de stad. 'Wat zie je?'

Maria dacht even na. 'Een stad.'

'Dat zie ik ook.'

Ze glimlachte. 'Een samenleving.'

'Goed.'

'En mensen.'

'Nog beter.'

Hij keek haar aan. 'En wat maakt een samenleving tot een goede samenleving?'

Maria antwoordde niet meteen. Ze dacht aan haar ministerie, aan de vergaderingen, aan Dudok, aan de voorstelling die ze had gezien in de schouwburg en aan de vraag die haar al zo lang bezighield. 'Goede wetten?'

Aristoteles schudde zijn hoofd. 'Wetten zijn belangrijk.'

'Goede bestuurders?'

'Ook.'

'Een sterke economie?'

'Zeker.'

'Wat dan?'

Aristoteles keek haar rustig aan. 'De mens.'

Maria fronste haar wenkbrauwen. 'De mens?'

'Een samenleving is uiteindelijk niets anders dan mensen die met elkaar leven.' Hij wees naar de stad. 'Je kunt de mooiste wetten maken, je kunt de beste instellingen bouwen, je kunt de macht verdelen, je kunt regels maken voor bijna alles.' Hij keek haar aan. 'Maar als de mensen die deze regels maken en naleven niet weten hoe ze moeten leven, wat heb je dan bereikt?'

Maria dacht aan haar eigen wereld. Ze voelde dat er iets in zijn woorden zat wat ze eerder had gezien, maar nog nooit zo had geformuleerd. 'Wat bedoelt u met weten hoe je moet leven?'

Aristoteles glimlachte. 'Dat is precies de vraag.' Hij liep verder. 'Je bent hier niet gekomen om antwoorden te verzamelen.'

'Waarom dan?'

'Om betere vragen te leren stellen.'

Ze keek hem verbaasd aan.

Aristoteles wees naar haar. 'Je verlangt naar een volwassen samenleving.'

Maria voelde een rilling. 'Hoe weet u dat?'

'Je draagt die wens bij je.' Hij keek weer over de stad. 'Maar vertel me eens: wat is een volwassen mens?'

Maria dacht na. 'Een mens die verantwoordelijkheid neemt.'

'Voor wat?'

'Voor zichzelf.'

'En?'

'Voor anderen.'

'En?'

Maria zweeg.

Aristoteles keek haar aan. 'Voor zijn keuzes.'

Ze knikte langzaam.

'Dan begint je reis daar.'

'Bij verantwoordelijkheid?'

'Bij de mens die verantwoordelijkheid kan dragen voor zijn keuzes.'

Maria keek naar de stad en zei: 'Maar hoe wordt een mens zo?'

Aristoteles glimlachte. 'Dat is een veel langere reis.'

Hij liep weg en Maria volgde hem. 'Wacht.'

Aristoteles draaide zich om.

'Komt u niet mee?'

'Ik heb mijn deel van de weg met je gelopen.'

'En de rest?'

'Die moet je zelf afleggen.'

Maria keek hem na. 'Maar ik weet niet waar ik heen moet.'

Aristoteles glimlachte. 'Dat weet je inmiddels wel.'

Toen werd het licht feller en Maria kneep haar ogen dicht. Ze hoorde opnieuw een geluid: Een wekker. Ze schrok wakker en zag haar slaapkamer. Haar wekker op het nachtkastje gaf zeven uur aan. Ze bleef liggen, starend naar het plafond. Een droom, het moest een droom zijn geweest. Ze draaide zich om en pakte haar telefoon. Maar voordat ze haar berichten opende, pakte ze haar notitieboek. Ze wist niet waarom. Ze schreef:

Aristoteles.

Daaronder:

De mens.

En daaronder, na enige aarzeling:

Een samenleving verandert wanneer de mens verandert.

Maria legde haar pen neer en keek naar de drie regels. Toen schreef ze er nog één onder:

Dit was geen gewone droom.

Die ochtend liep Maria naar haar werk. Ze had slecht geslapen, niet omdat ze bang was geweest, maar omdat haar hoofd de hele nacht was blijven nadenken over de droom. Aristoteles. De Acropolis. De stad onder haar. En vooral die ene zin:

Een samenleving is uiteindelijk niets anders dan mensen die met elkaar leven.

Ze had hem opgeschreven. Ze had er zelfs een paar minuten naar gekeken voordat ze haar appartement verliet. Nu liep ze door de stad en probeerde ze de woorden van Aristoteles weer los te laten. Dat lukte niet. Op de hoek stond een man midden op het fietspad. Hij keek op zijn telefoon en leek zich nergens van bewust. Een fietser moest uitwijken en riep iets naar hem. De man keek op. 'Rustig maar.' Hij stapte een halve meter opzij. Niet omdat hij vond dat hij iets verkeerd had gedaan, maar omdat iemand hem erop had gewezen.

Maria liep verder. Bij de tramhalte stond een groep mensen te wachten. Een vrouw gooide haar lege koffiebeker naast de prullenbak. Ze keek ernaar, haalde haar schouders op en liep weg. Een jongen die achter haar stond, keek naar de beker. Hij schopte hem onder de bank. Maria bleef even staan en vroeg zich af wat Aristoteles hiervan zou vinden. Ze moest glimlachen. Ze liep verder. Bij een zebrapad stak een man plotseling over zonder te kijken. Een automobilist remde hard. De man stak zijn hand op, niet als verontschuldiging, als teken dat de automobilist blijkbaar had moeten opletten. Maria keek hem na.

Ze merkte dat ze vandaag anders keek naar de wereld om haar heen. Niet veroordelend, eerder onderzoekend. Wat maakte dat mensen zo deden? Waarom vonden we het zo vanzelfsprekend dat een ander rekening met ons moest houden? Waarom was verantwoordelijkheid zo vaak iets wat we pas voelden wanneer iemand anders ons erop wees? Bij de supermarkt gebeurde het opnieuw. Een oudere vrouw stond voor haar in de rij. Ze had een volle tas op de grond gezet. Achter haar stond een jonge man die zichtbaar ongeduldig was. Toen de vrouw langzaam haar boodschappen op de band legde, zuchtte hij luid. De vrouw keek achterom en zei: 'Het gaat niet zo snel meer,' zei ze. De jongen keek weg. Geen excuus. Geen glimlach. Niets. Maria voelde iets in zichzelf bewegen. Ze dacht aan de woorden van Aristoteles. Niet de ander veranderen, niet de wereld veranderen, begin bij de mens. Maar welke mens? De mens die klaagt dat alles fout gaat? De mens die wacht tot iemand anders verantwoordelijkheid neemt? De mens die vrijheid opeist maar de gevolgen van zijn keuzes liever bij een ander neerlegt? Ze rekende af en liep naar buiten.

De stad was inmiddels drukker geworden. Ze zag mensen die haastig door rood licht fietsten. Mensen die hun afval op straat gooiden. Mensen die zich luidruchtig gedroegen alsof de openbare ruimte van hen alleen was. Maar ze zag ook iets anders. Een jonge vrouw die een gevallen tas van een oude man oppakte. Een buschauffeur die wachtte totdat een moeder met een kinderwagen was ingestapt. Een jongen die zijn fiets aan de kant zette om een toerist de weg te wijzen. Een vrouw die op straat een hond van iemand anders terugbracht nadat die was losgeraakt.

Maria vertraagde haar pas. Daar waren ze, de andere momenten. Kleine gebaren. Niemand schreef er beleid over. Niemand maakte er een debat over. Geen camera's. Geen pers. Geen politieke partij die er een standpunt over innam. Mensen deden gewoon wat ze konden. Misschien, dacht Maria, was een samenleving niet alleen zichtbaar in haar wetten en instituties, maar vooral in de duizenden kleine keuzes die mensen iedere dag maakten.

Ze liep verder. Bij het ministerie aangekomen, passeerde ze de beveiliging. Ze groette de portier. De lift zat vol met mensen die op hun telefoon keken en niemand zei iets. Maria stapte ertussen en de deuren sloten. Op de twaalfde verdieping stapte ze uit. Een collega stond met een stapel dossiers in zijn armen voor de printer.

'We hebben een probleem,' zei hij.

Maria keek hem aan. 'Wat voor probleem?'

'Het nieuwe beleid werkt niet.'

'Waarom niet?'

Hij haalde zijn schouders op. 'De mensen houden zich er niet aan.'

Maria keek hem even aan. 'Waarom niet?'

'Geen idee. Mensen zijn nu eenmaal zo.'

Hij liep weg en Maria bleef staan. Mensen zijn nu eenmaal zo. De zin bleef hangen...

Ze liep naar haar bureau, zette haar tas neer en startte haar computer op. Op haar scherm verschenen de documenten waar ze de vorige dag aan had gewerkt. Een beleidsvoorstel met een analyse en een lijst met maatregelen. Ze las een paar regels. Toen dacht ze aan Aristoteles. De mens. Ze keek naar de tekst op haar scherm. Ineens zag ze iets wat ze gisteren nog niet had gezien. Het document sprak voortdurend over burgers, over hun gedrag, de naleving ervan, over maatregelen, prikkels en handhaving. Maar nergens stond de vraag:

Wat maakt dat een mens verantwoordelijkheid neemt?

Maria leunde achterover en keek uit het raam. Beneden reed het verkeer door. Duizenden mensen bewogen zich door de stad. Iedereen onderweg naar ergens. Met zijn eigen verhaal en keuzes. Ze dacht aan de droom. Had Aristoteles haar niet verteld hoe een volwassen samenleving eruitzag? Wellicht had hij haar alleen laten zien waar ze moest beginnen: Bij de mens.

Maria pakte haar notitieboek. Onder de regels van die ochtend schreef ze:

Een samenleving verandert niet alleen door betere regels.

Ze dacht even na. Toen schreef ze:

Een samenleving verandert alleen wanneer we leren verantwoordelijkheid te nemen voor de gevolgen van onze keuzes.

Ze legde haar pen neer. Voor het eerst voelde haar vraag niet kleiner worden, maar groter. En ineens wilde ze weten:

Waarom doen mensen eigenlijk wat ze doen?


– Hoofdstuk 2 –
Je bent niet jouw patronen

Die avond had Maria een film gekeken. Ze had hem eigenlijk toevallig gevonden, maar naarmate de film vorderde, merkte ze dat hij haar steeds meer in zijn greep kreeg. Het ging over een man die zijn hele leven had geprobeerd te voldoen aan wat anderen van hem verwachtten: Een goede zoon, een succesvolle professional, een betrouwbare echtgenoot, een gewaardeerd lid van de samenleving. Alles leek op zijn plaats. Totdat hij op een dag merkte dat hij zichzelf ergens onderweg was kwijtgeraakt.

Wat volgde was geen spectaculaire zoektocht. Geen reis naar een ver land, geen heldhaftige strijd, maar een reis naar binnen. De man begon zich af te vragen waarom hij bepaalde keuzes maakte. Waarom hij bang was voor bepaalde dingen. Waarom hij steeds opnieuw in dezelfde situaties terechtkwam. Waarom hij boos werd op bepaalde mensen. En waarom sommige eigenschappen van anderen hem zo diep irriteerden.

Maria had tijdens het kijken steeds vaker aan haar eigen leven gedacht. Aan haar werk, aan de mensen die ze die ochtend onderweg naar het ministerie had gezien, aan Aristoteles en de mens. Misschien zat de sleutel tot een andere samenleving inderdaad niet alleen in betere regels. Eerst moest je begrijpen waarom mensen zichzelf en elkaar steeds opnieuw in dezelfde patronen gevangen hielden.

Toen de aftiteling verscheen, bleef ze nog even zitten. De kamer was donker. Ze pakte haar glas wijn en keek naar het scherm. 'Wie zijn we eigenlijk?' mompelde ze. Ze wist niet tegen wie ze het zei. Even later ging ze naar bed. Ze nam het notitieboek mee. Voor het slapen schreef ze één zin op:

Misschien zijn we veel minder vrij dan we denken.

Daarna deed ze het licht uit.

Maria werd wakker in een vreemde kamer. Ze wist onmiddellijk dat ze droomde. Toch voelde alles opnieuw werkelijk. De kamer was groot en rustig. Grote houten boekenkasten stonden tegen de muren en overal lagen boeken. Op een tafel lagen papieren, tekeningen en enkele voorwerpen waarvan ze de betekenis niet kende. Er stond een oude klok. Naast een raam stond een zware leren stoel en daarin zat een man. Hij keek naar haar alsof hij haar al enige tijd verwachtte. Maria herkende hem: 'Jung.'

De man glimlachte. 'Je hebt me gevonden.'

'Of u hebt mij gevonden.'

'Dat is soms hetzelfde.'

Maria keek rond. 'Is dit uw werkkamer?'

'Een versie ervan.'

Ze ging zitten en Jung keek haar onderzoekend aan. 'Je hebt vanavond een film gezien.'

Maria glimlachte. 'Blijkbaar.'

'Je bent blijven zitten nadat hij was afgelopen.'

'Hoe weet u dat?'

'Je bent er nog niet helemaal uit.'

Maria keek hem aan. 'Waaruit?'

'Uit de vraag wie je eigenlijk bent.'

Ze dacht aan haar aantekening.

Misschien zijn we veel minder vrij dan we denken.

'Ik heb nog een andere vraag.'

'Dat hoopte ik al.'

Maria boog zich iets naar voren. 'Uw ideeën over het onbewuste, de schaduw en individuatie hebben veel invloed gehad. Maar er is ook kritiek op gekomen.'

Jung knikte.

'Dat klopt.'

'Uw theorie over individuatie is bijvoorbeeld niet door iedereen als wetenschappelijke theorie aanvaard.'

'Dat klopt ook.'

Maria keek hem verrast aan.

'Dat zegt u wel gemakkelijk.'

'Waarom zou ik het moeilijker maken dan het is?' Hij glimlachte. 'Mijn werk is voortgekomen uit mijn ervaringen met mensen. Uit duizenden gesprekken, dromen, conflicten en levensverhalen. Ik heb geprobeerd daarin patronen te herkennen en er woorden aan te geven.'

'Maar patronen herkennen betekent nog niet dat je een universele waarheid hebt ontdekt.'

'Precies.' Jung keek haar even zwijgend aan. 'Dat onderscheid is belangrijk.' Hij stond op en liep naar een boekenkast. 'Je moet mijn ideeën dus niet behandelen als natuurwetten.'

'Wat moet ik er dan mee?'

'Gebruik ze als lenzen.' Hij pakte een boek. 'Een lens laat je iets zien wat je zonder die lens misschien niet had opgemerkt. Maar een lens is niet hetzelfde als de werkelijkheid.'

Maria knikte langzaam. 'Dat vind ik eigenlijk wel een belangrijke nuance.'

'Het is meer dan een nuance.' Hij legde het boek op tafel. 'Het is een voorwaarde voor bewustzijn.'

Maria keek hem vragend aan. 'Hoe bedoelt u?'

'Wanneer je een theorie ontdekt, bestaat het gevaar dat je haar vervolgens overal gaat zien.'

Hij ging weer zitten.

'Dan wordt de theorie zelf een nieuw patroon.'

Maria glimlachte. 'Dat klinkt bijna als een waarschuwing.'

'Dat is het ook.' Hij keek haar aan. 'Jij bent hier niet om in Jung te gaan geloven.'

'Waarvoor ben ik hier dan?'

'Om te onderzoeken.'

'Wat?'

'Jezelf.'

Hij leunde achterover. 'Je hebt Aristoteles ontmoet. Hij liet je naar de mens kijken als grondslag van de samenleving.'

'Ja.'

'Maar voordat je begrijpt hoe mensen samenleven, moet je misschien eerst begrijpen wat er in één mens gebeurt.'

Maria dacht aan de mensen die ze die ochtend had gezien: De fietser, de man die zijn afval liet liggen, de ongeduldige jongen in de supermarkt. 'Waarom doen mensen wat ze doen?'

'Een eenvoudige vraag,' zei Jung. Hij keek haar aan. 'En een leven lang werk om haar te beantwoorden.'

'Maar kunnen we ons gedrag dan werkelijk begrijpen?'

'Tot op zekere hoogte.'

'En veranderen?'

'Ook.'

Maria wachtte.

Jung pakte een potlood van de tafel en legde het tussen zijn vingers. 'Veel mensen denken dat ze vrij kiezen. Maar een deel van hun keuzes wordt beïnvloed door ervaringen waarvan ze zich nauwelijks bewust zijn.'

'Door hun jeugd?'

'Onder andere.'

'Door angst?'

'Zeker.'

'Door verwachtingen van anderen?'

'Ook.'

'Door patronen?'

Jung knikte. 'Juist.' Hij keek haar aan.'En zolang je een patroon niet ziet, ervaar je het niet als een patroon.'

'Maar als jezelf.'

'Precies.'

Maria zweeg. Daar zat iets in wat haar raakte. Was dat het wat ze die ochtend had gezien? Niet alleen mensen die onverantwoordelijk handelden, maar ook mensen die reageerden vanuit iets wat ze zelf misschien helemaal niet doorhadden.

Jung boog zich naar voren. 'Daar begint de reis naar binnen.'

'En dat noemt u individuatie?'

'Individuatie is niet simpelweg jezelf leren kennen.'

'Wat is het dan?'

Jung glimlachte. 'Dat ontdekken we samen.'

Buiten begon het licht langzaam te veranderen. Maria keek naar het raam. Ze wist dat haar droom niet lang meer zou duren.

Jung keek haar nog één keer aan. 'Onthoud dit, Maria.'

'Wat?'

'Je bent niet je patronen.' Hij liet een korte stilte vallen. 'Maar zolang je ze niet ziet, zullen ze wel jouw leven bepalen.'

Maria wilde iets zeggen, maar de kamer begon te vervagen. De boeken, de stoel, de tafel. Jung. Alles loste langzaam op in licht.

Maria schoot wakker. Het was vroeg. Ze bleef even liggen. Toen pakte ze haar notitieboek. Onder de naam van Aristoteles schreef ze:

Jung.

Daaronder:

Ik ben niet mijn patronen.

Ze dacht even na. En schreef toen:

Maar wat bepaalt dan wie ik word?

Maria werd wakker voordat de wekker ging. Ze bleef nog even liggen. De kamer was stil en langzaam kwamen de beelden van haar droom terug. De werkkamer vol boeken en Jung met zijn woorden: Je bent niet je patronen.

Maria ging rechtop zitten. Ineens dacht ze weer aan de film die ze de avond ervoor had gezien. De man uit de film die jarenlang had geprobeerd te leven zoals van hem werd verwacht. Hij had keuzes gemaakt waarvan anderen vonden dat ze verstandig waren. Een goede baan, een veilig bestaan. Een leven dat er van buitenaf geslaagd uitzag. Maar ergens onderweg was hij zichzelf kwijtgeraakt. Pas toen hij zijn oude patronen begon te herkennen, durfde hij andere keuzes te maken. Keuzes die niet iedereen begreep. Sommige mensen vonden hem egoïstisch. Anderen vonden hem onverantwoordelijk. Weer anderen dachten dat hij zijn leven weggooide. Maar hij voelde iets wat hij lange tijd niet had gevoeld: Voldoening en rust. Alsof hij eindelijk dichter bij zichzelf was gekomen.

Maria liep naar haar bureau en pakte haar notitieboekje. Misschien was dat wat Jung bedoelde. Niet dat je zomaar alles moet doen waar je zin in hebt of alleen doen wat ervan je wordt verwacht. Maar dat je moet ontdekken waarom je doet wat je doet. Welke keuzes komen werkelijk uit jezelf en welke maak je omdat je ouders dat van je verwachtten? Of omdat je omgeving het normaal vindt? Omdat je bang bent om iemand teleur te stellen, omdat je erbij wilt horen, omdat je denkt dat je zo hoort te leven?

Ze dacht aan haar eigen leven. Aan haar baan, haar keurige appartement en dagelijkse routines. Hoeveel daarvan had zij eigenlijk zelf gekozen? Maria bleef even stil zitten. Toen schreef ze:

Misschien begint vrijheid bij het herkennen van de patronen die voor vrijheid doorgaan.

Ze keek naar de zin. Daaronder schreef ze:

Wie ben ik als ik niet meer hoef te zijn wie anderen van mij verwachten?

Ze sloot haar boek. Dat was voorlopig genoeg. Ze moest naar haar werk. Maar onderweg naar het ministerie keek ze anders naar de mensen om haar heen. Misschien droeg iedereen wel een verhaal met zich mee, misschien leefden veel mensen een leven dat ooit voor hen was gekozen. En misschien begon volwassen worden met de moed om jezelf die ene vraag te stellen:

Is dit werkelijk mijn leven?

– Hoofdstuk 3 –
Scheppen en ontvangen

'Ga je vanmiddag mee naar de borrel?'

Maria keek op van haar scherm.

Een collega stond in de deuropening.

'Welke borrel?'

'De donderdagmiddagborrel op het Plein.'

'O ja.'

'Je moet echt een keer meegaan.'

Maria glimlachte. 'Waarom?'

'Netwerken.'

Het woord bleef even tussen hen in hangen.

'Je kent inmiddels genoeg mensen hier. En als je een beetje verder wilt komen, is het wel handig als de juiste mensen je kennen.'

Maria keek weer naar haar scherm. 'Verder komen?'

'Je weet wat ik bedoel.'

Ze wist het. De wekelijkse borrel van ambtenaren op het Plein. Een informele bijeenkomst die vooral heel informeel was omdat niemand officieel toegaf dat er iets op het spel stond. Ambtenaren uit verschillende ministeries. Beleidsadviseurs, voorlichters, managers, directiesecretarissen. Mensen die ooit begonnen waren als beleidsmedewerker en nu een afdeling aanstuurden. En mensen die vooral graag wilden dat anderen wisten dat ze onderweg waren.

Er werd gelachen, gedronken en bijgepraat. Contacten uitgewisseld. En ondertussen werd er zorgvuldig afgetast wie welke functie ambieerde, welke directeur binnenkort vertrok en waar mogelijk een interessante plek zou vrijkomen.

Maria was er een paar keer geweest. Ze kende het ritueel. Wie zit waar? Wie kent wie? Wie gaat binnenkort weg? Wie moet ik spreken? Wie kan mij verder helpen? Ze had zich er nooit prettig bij gevoeld. 'Ik weet het niet,' zei ze.

Haar collega keek haar aan. 'Je hoeft niet meteen naar huis. Gewoon een uurtje.'

'Ik denk dat ik oversla.'

'Waarom?'

Maria haalde haar schouders op. 'Ik heb er niet zoveel mee.'

'Met een borrel?'

'Met het doel ervan.'

Haar collega lachte. 'Het is gewoon goed voor je carrière.'

Maria keek hem aan. Daar was het magische woord weer: Carrière. Het woord dat steeds vaker opdook wanneer ze om zich heen keek. Niet alleen op het ministerie. Overal. Mensen wilden hogerop, meer verantwoordelijkheid, een betere functie en een groter salaris. Meer invloed, een mooier cv. Ze begreep het wel. Ze had zelf ook ambities. Maar de laatste tijd begon ze zich af te vragen waarvoor. Wat wilde ze eigenlijk bereiken? Een hogere positie? Meer aanzien? Een kantoor met een groter raam? Een functie waarin haar naam op een deur stond?

Ze dacht aan haar droom van de afgelopen nacht. Aan Jung: Je bent niet je patronen. Misschien was dit er ook één. De behoefte om vooruit te komen omdat iedereen om je heen vooruit wilde. De overtuiging dat succes betekende dat je altijd maar hogerop moest. Het vanzelfsprekende idee dat een carrière iets was wat je moest opbouwen. En ineens vroeg Maria zich af: Wie had dat eigenlijk bedacht?

Ze keek naar haar collega. 'Wat zou je eigenlijk willen bereiken?' vroeg ze.

Hij leek even verrast door de vraag. 'Hoe bedoel je?'

'Met je carrière.'

Hij dacht even na. 'Een mooie functie, directeur worden bijvoorbeeld.'

'En daarna?'

Hij lachte. 'Geen idee.'

Maria glimlachte. 'Logisch.'

'Waarom vraag je dat?'

'Geen idee.'

Hij keek haar onderzoekend aan. 'Ga je echt niet mee?'

'Nee.'

'Jammer.'

Hij liep de kamer uit. 'Fijn weekend dan.'

'Jij ook.'

Maria keek hem na. Daarna keek ze naar haar computerscherm: Een beleidsstuk. Een analyse over maatschappelijke verantwoordelijkheid. Ze las de titel nog eens: Versterking van burgerparticipatie.Ze moest bijna lachen. Burgerparticipatie. Ze vroeg zich af hoeveel mensen die woorden op papier zetten eigenlijk nog wisten waarom ze bij de overheid werkten. Ze wilde geen carrière maken om haar cv te vullen. Ze wilde iets bijdragen, de samenleving dienen. Dat woord voelde ineens veel belangrijker dan carrière: Dienen.Misschien was dat ook een keuze. Niet de vraag: Hoe kom ik hogerop? Maar: Waar kan ik van betekenis zijn?

Ze dacht opnieuw aan Jung. Aan patronen die zo vanzelfsprekend worden dat je ze niet meer als patronen herkent. Misschien was een carrière najagen ook zo'n patroon. Niet per se verkeerd, maar wel iets om bewust voor te kiezen. Maria sloot het beleidsstuk. Ze pakte haar jas; het was klaar voor vandaag. Buiten wachtte Den Haag en op het Plein zouden straks honderden mensen praten over hun werk, hun toekomst en de volgende stap. Zo vol vuur dat de energie voelbaar werd op het Plein.

Maria besloot naar huis te lopen. Niet omdat ze tegen carrière was, maar omdat ze steeds sterker het gevoel kreeg dat haar leven niet bedoeld was om alleen maar over haarzelfte gaan.

Die avond dacht Maria aan het gesprek met haar collega. Ze begreep zijn ambitie. Er was niets mis met carrière maken, met willen groeien, met meer verantwoordelijkheid nemen of een hogere positie ambiëren. Maar waarom voelde het bij haar dan anders?

Ze wilde niet alleen iets bereiken, ze wilde iets betekenen.

Dat verschil bleef in haar hoofd rondzingen tot ze in slaap viel. Ze werd wakker in een andere wereld. Ze stond aan de oever van een brede rivier. Het water was bijna stil. De lucht had een diepe blauwe kleur en laag boven de horizon hing een gouden gloed. Aan de overkant stonden palmbomen. Maria wist onmiddellijk waar ze was: in het oude Egypte.

Maar voordat ze zich kon afvragen hoe dat mogelijk was, hoorde ze achter zich een stem. 'Je bent moe van het doen.'

Maria draaide zich om. Een vrouw stond enkele meters bij haar vandaan. Ze droeg een eenvoudig lang gewaad. Haar gezicht was rustig. Maria wist intuïtief wie ze was: 'Isis.'

De vrouw glimlachte. 'Je kent mijn naam.'

'Uit boeken.'

'En toch ben je hier.'

Maria keek naar de rivier. 'Ik begrijp niet wat ik hier moet.'

'Je zoekt.'

'Ja.'

'Waarnaar?'

Maria dacht even na. 'Naar een andere samenleving.'

Isis knikte. 'En wat heb je tot nu toe gevonden?'

'Dat het bij de mens begint.'

'Goed.'

'Dat we onze patronen moeten leren herkennen.'

'Ook goed.'

Maria keek haar aan. 'Maar ik weet nog steeds niet hoe die andere samenleving eruitziet.'

Isis liep naar het water. 'Misschien probeer je haar te veel te bedenken.'

Maria volgde haar. 'Wat bedoel je?'

'Je denkt voortdurend aan wat mensen moeten doen.'

Isis wees naar de rivier. 'Maar je vergeet de helft.'

Maria keek verbaasd op.

'De mens kent twee bewegingen,' zei Isis. 'Een beweging naar buiten en een beweging naar binnen.'

Maria keek haar aan. 'Doen en Zijn?'

Isis glimlachte. 'Precies.' Ze keek naar de rivier. 'Je kunt scheppen, handelen, richting geven, grenzen stellen. Maar je kunt ook luisteren, ontvangen, voelen en ruimte geven.'

Maria dacht aan het ministerie, aan de borrel, aan al die mensen die voortdurend bezig waren met de volgende stap.

'En wij doen te veel?'

'Dat zeg ik niet.'

Isis keek haar aan. 'Doen zonder zijn maakt de mens leeg. Zijn zonder doen maakt hem machteloos.'

Maria liet die woorden even bezinken.

Isis glimlachte. 'Je hoeft niet te kiezen.'

Toen werd het licht feller. Maria voelde dat ze wakker zou worden. 'Wacht,' zei ze.

Isis keek haar aan.

'Wat moet ik onthouden?'

'Dat een samenleving die alleen maar wil groeien, vergeten kan waarom zij bestaat.'

Het beeld vervaagde en Maria werd wakker. Ze bleef even stil liggen. Toen pakte ze haar notitieboek en schreef:

Isis.

Daaronder:

Doen én zijn.

Ze dacht even na. Toen schreef ze:

Scheppen én ontvangen.

Ze keek naar de woorden. Het was maar een klein puzzelstukje. Maar voor het eerst begon Maria te vermoeden dat haar dromen niet zomaar losse ontmoetingen waren. Ze vormden samen iets. Alleen wist ze nog niet wat...

Die avond lag Maria op haar mat tijdens de yogales. De zaal was stil. Alleen het zachte ritme van ademende mensen vulde de ruimte. Ze lag op haar rug en keek naar het plafond. De woorden van Isis waren nog steeds in haar gedachten. Doen én zijn. Scheppen én ontvangen. Ze voelde hoe haar lichaam langzaam ontspande, maar haar hoofd bleef bezig.

Ze begreep wat Isis bedoelde. Althans, ze dacht dat ze het begreep. Maar hoe deed je dat? Hoe zorgde je ervoor dat je niet voortdurend in de beweging van het doen terechtkwam? Hoe wist je wanneer je moest handelen en wanneer je juist moest wachten? En misschien nog belangrijker: hoe kon je een samenleving veranderen waarin bijna alles leek te draaien om doen, presteren, groeien en vooruitkomen? Je kon toch niet zomaar tegen mensen zeggen dat ze anders moesten leven?

Maria sloot haar ogen. Het probleem was kennelijk groter dan ze dacht. Misschien moest een samenleving niet alleen leren ontvangen en verbinden, maar ook leren waarvoor ze haar scheppingskracht gebruikt. Ze dacht aan de politiek, aan alle idealen, aan mensen die de wereld wilden veranderen. Aan revoluties en vrijheid. Plotseling verscheen er een naam in haar gedachten: Che Guevara. De man van de poster die ze lang geleden op de muur van haar slaapkamer had hangen. De revolutionair met baret. Maria opende haar ogen. Ze wist niet waarom juist hij, maar ze voelde dat haar volgende droom misschien al onderweg was.


Verder lezen? Bestel het gratis e-book via info@partijvandeliefde.nl