Burgers aan de macht

Tjeerd Roosjen

Burgers aan de macht

"Next to life itself, the power to choose
is your greatest gift."


Stephen R. Covey

– Proloog –
De haperende motor

Waarom groeit de kloof tussen politiek en burger, terwijl we in een democratie leven? Het is een merkwaardige vraag schreeuwend om een antwoord...

Democratie zou er juist voor moeten zorgen dat politiek en burger dicht bij elkaar staan. De macht ligt immers niet meer bij een koning of een groep machthebbers, maar bij de burger zelf. We kiezen onze vertegenwoordigers, spreken ons uit en hebben in principe alle mogelijkheden om invloed uit te oefenen op de manier waarop ons land wordt bestuurd. Toch ervaren steeds meer mensen iets anders.

Ze herkennen zich niet altijd in de politiek die namens hen wordt bedreven. Ze voelen zich niet of onvoldoende gehoord en vragen zich af of politici nog wel begrijpen wat er onder de bevolking leeft. Aan de andere kant lijken politici steeds meer moeite te hebben om burgers mee te krijgen in de keuzes die zij maken. Het vertrouwen brokkelt af en het debat verhardt. De afstand groeit...

Kennelijk hapert er iets in de politieke motor. Waar zit het probleem? In de politiek zelf? In onze instituties? In de manier waarop we verkiezingen organiseren? In de groeiende complexiteit van de samenleving? Of kijken we steeds de verkeerde kant op wanneer we de oorzaak van de kloof proberen te vinden? Want misschien is de vraag niet alleen hoe de politiek moet veranderen. Misschien moeten we ook opnieuw kijken naar de andere helft van de democratische vergelijking: de burger.

Wat verwachten we eigenlijk van een burger in een democratie? Is stemmen voldoende? Is het genoeg om van politici te verlangen dat zij onze problemen oplossen? Of vraagt het leven in een democratie iets anders: om mensen die in staat zijn verantwoordelijkheid te nemen voor hun eigen leven en voor de samenleving waarvan zij deel uitmaken? En als dat laatste waar is, wat betekent dat dan voor de manier waarop we politiek bedrijven?

Dat waren de vragen waarmee ik op pad ging. Ik had geen pasklaar antwoord, wel een vermoeden dat we voor een deel terug zouden moeten naar de basis. Naar eenvoudige, maar vergeten vragen over macht, vrijheid, verantwoordelijkheid en de mens zelf. Voor de beantwoording daarvan besloot ik hulp in te roepen van enkele denkers uit het verleden. Een merkwaardige keuze, dat geef ik toe. Ze waren namelijk allemaal al geruime tijd dood. Toch kreeg ik ze bij elkaar in café Dudok te Den Haag. Wat begon als een zoektocht naar de oorzaak van de kloof, veranderde daar langzaam maar zeker in een veel fundamenteler gesprek. Een gesprek over de vraag die misschien onder al onze politieke vragen ligt:

Kunnen mensen uiteindelijk leren zichzelf te leiden?

Het is geen zwaar filosofisch boek geworden dat alles diepgaand wil verklaren en invullen. Geen nieuwe doctrine of ideologie. Wel een onderhoudend gesprek over een andere manier van kijken naar de mens, naar macht in z'n algemeenheid en in het bijzonder naar politiek. En uiteindelijk naar de mogelijkheid van een democratie waarin burgers steeds beter in staat zijn zichzelf te leiden. Een onderhoudend boek dat de lezer hopelijk anders naar de democratie laat kijken. Wat mij betreft is dit boek vooral het begin van een gesprek over de toekomst van onze politiek en onze samenleving.

Tjeerd Roosjen

– Een voorstelrondje –
Wie voeren het woord in dit boek?

Wie waren die mannen eigenlijk? Ze zaten met elkaar aan tafel in Dudok alsof ze elkaar al eeuwen kenden. Dat was misschien ook wel zo, maar voor jou, beste lezer, is het goed om even terug te gaan in de tijd. Wie waren Plato, Machiavelli, Rousseau, Spinoza, Socrates en Jung eigenlijk? Waar leefden ze en wat hield hen zoal bezig? In welke wereld kwamen hun ideeën tot stand en waarom heb ik hen uitgenodigd om deel te nemen aan de hedendaagse discussietafel? Ik laat de mannen zichzelf voorstellen...

Plato: De filosoof die wilde weten wie er mag regeren

Ik ben Plato. Ik werd rond 427 voor Christus geboren in Athene, een van de belangrijkste steden van de Griekse wereld. Athene was de bakermat van de democratie, maar ook een stad waarin politieke strijd, oorlog en machtsmisbruik aan de orde van de dag waren. Dat heeft mijn denken sterk beïnvloed. Mijn leermeester was Socrates. Zijn manier van vragen stellen heeft mij diep gevormd. Hij wilde niet zomaar weten wat mensen dachten, maar vooral of ze konden uitleggen waarom ze dat dachten. Na de dood van Socrates verloor ik mijn vertrouwen in de manier waarop Athene politiek bedreef. Ik begon mij af te vragen hoe een samenleving werkelijk rechtvaardig georganiseerd zou kunnen worden. Mijn beroemdste werk is De Staat. Daarin stelde ik onder meer de vraag:

Wie is werkelijk geschikt om een samenleving te leiden?

Ik kwam uit bij de filosoof-koning: Iemand die niet door macht of rijkdom wordt gedreven, maar door kennis en inzicht. Mijn overtuiging was dat een samenleving beter bestuurd wordt wanneer degenen die haar leiden begrijpen wat rechtvaardigheid werkelijk betekent. Mijn idee heeft veel kritiek gekregen. Terecht, misschien.

Want wie bepaalt eigenlijk wie wijs genoeg is om anderen te leiden?

Dat is een prangende vraag die mij ook in Dudok bleef achtervolgen. Mijn levenshouding zou je kunnen samenvatten als: Onderzoek wat waar en rechtvaardig is, voordat je anderen probeert te leiden. Misschien is dat ook waarom ik mij in dit boek zo gemakkelijk liet verleiden tot het gesprek over zelfleiderschap. Want als de vraag eeuwenlang is geweest wie moet de mens leiden?, dan is de volgende vraag misschien: Wanneer wordt de mens wijs genoeg om zichzelf te leiden?

*******

Machiavelli: De realist die de macht wilde begrijpen

Mijn naam is Niccolò Machiavelli. Ik werd in 1469 geboren in Florence, in een tijd waarin Italië geen verenigde staat was maar bestond uit rivaliserende steden en machtsgebieden. Florence was een centrum van kunst, handel en intellectuele ontwikkeling. Maar politiek was het er allesbehalve rustig. Ik werkte als diplomaat en ambtenaar en zag van dichtbij hoe macht werkelijk functioneerde. Dat heeft mij iets geleerd wat ik belangrijker vond dan mooie politieke theorieën:

Kijk naar wat mensen werkelijk doen.

Niet naar wat ze zeggen dat ze zullen doen, niet naar hoe ze zouden moeten handelen, maar naar hoe ze handelen wanneer hun belangen, angst en ambities op het spel staan.

Mijn bekendste werk is Il Principe, De vorst. Daarin beschreef ik hoe een heerser macht kan verkrijgen, behouden en gebruiken. Dat leverde mij eeuwenlang de reputatie op van een cynische voorstander van machtspolitiek. Misschien is dat niet helemaal onterecht, maar ik wilde vooral één ding begrijpen:

Hoe werkt macht wanneer idealen botsen met de werkelijkheid?

Ik weet dat mijn naam tegenwoordig bijna synoniem is met manipulatie en gewetenloze politiek. Dat vind ik eigenlijk wel vermakelijk. Maar in Dudok ontdekte ik iets wat ik zelf onvoldoende had onderzocht. Misschien gaat macht niet alleen over het vermogen om anderen te beïnvloeden. Er bestaat namelijk ook een andere vorm van macht: Het vermogen van een mens om zichzelf te leiden. Dat vond ik een interessante gedachte. En dat zeg ik niet snel. Mijn motto? Kijk naar de mens zoals hij is, niet zoals je zou willen dat hij is.

*******

Rousseau: De man die de macht terug wilde geven aan het volk

Ik ben Jean-Jacques Rousseau. Ik werd in 1712 geboren in Genève, in een Europa waarin koningen en aristocraten nog een groot deel van de politieke macht bezaten. Ik heb mijn leven lang nagedacht over vrijheid. Maar niet over vrijheid als: ik doe gewoon waar ik zin in heb. Mijn vraag was fundamenteler:

Hoe kunnen mensen samenleven zonder hun vrijheid te verliezen?

Dat bracht mij bij mijn bekendste politieke werk: Du contrat social, Het maatschappelijk verdrag. Mijn beroemde gedachte was dat legitieme politieke macht niet vanzelfsprekend van boven naar beneden komt. De bron van die macht ligt bij het volk. Ik schreef:'De mens wordt vrij geboren, en overal ligt hij in ketenen.' Ik zag een gevaar in een samenleving waarin mensen hun eigen macht uit handen geven en vervolgens gehoorzamen aan een systeem dat zij zelf niet meer herkennen. Dat is misschien de reden waarom ik mij zo thuis voelde in Dudok tijdens onze gesprekken. Want jullie moderne democratie heeft de oude vorsten grotendeels vervangen door gekozen bestuurders. Daarmee is de fundamentele vraag niet verdwenen:

Hoeveel van onze eigen macht geven wij eigenlijk uit handen?

Dit is in mijn ogen immer nog een actuele vraag die antwoord verdient. Mijn motto zou kunnen zijn: Een samenleving is pas vrij wanneer mensen zichzelf herkennen in de macht die over hen wordt uitgeoefend.

*******

Spinoza: De denker van vrijheid en inzicht

Mijn naam is Baruch Spinoza. Ik werd in 1632 geboren in Amsterdam. Ik leefde in de zeventiende eeuw, een tijd van grote veranderingen. Wetenschap, handel en filosofie ontwikkelden zich snel. Tegelijkertijd waren religieuze en politieke conflicten aan de orde van de dag. Ik was van mening dat mensen pas werkelijk vrij kunnen worden...

wanneer zij begrijpenwaardoor zij worden bewogen.

Dat klinkt misschien eenvoudig, maar dat is het niet. Want de mens denkt vaak dat hij vrij handelt, terwijl hij wordt gestuurd door emoties, verlangens, angst en omstandigheden waarvan hij zich nauwelijks bewust is. Daarom schreef ik uitgebreid over de menselijke emoties. Ik geloofde dat kennis en inzicht ons kunnen bevrijden. Niet doordat we alle emoties uitschakelen, maar doordat we ze leren begrijpen. Mijn filosofie werd niet door iedereen gewaardeerd. Ik werd uit mijn joodse gemeenschap verbannen en verdiende later mijn brood als lenzenslijper. Ik heb jarenlang in Den Haag gewoond. Daarom voelde mijn bezoek aan Dudok bijna als een thuiswedstrijd. Mijn belangrijkste gedachte voor dit boek?

Vrijheid begint wanneer je begrijpt wat jou beweegt.

En misschien geldt dat ook voor de politiek. Een burger die zijn eigen drijfveren niet kent, is gemakkelijk te sturen. Maar een burger die zichzelf steeds beter leert begrijpen, wordt moeilijker te manipuleren. Dat is een vorm van macht die mij zeer aanspreekt.

*******

Socrates: De man die vooral vragen stelde

Ik ben Socrates. Of eigenlijk: meer hoef je niet te weten. Ik heb zelf niets geschreven. Alles wat jullie over mij weten, hebben anderen opgeschreven. Ik leefde in Athene, ongeveer van 470 tot 399 voor Christus. Ik liep door de straten, sprak met mensen en stelde vragen. Veel vragen. Dat vonden niet alle mensen prettig. Ik vroeg politici of ze werkelijk wisten waarover ze spraken. Ik vroeg deskundigen of hun kennis zo groot was als zij beweerden. Ik stelde mensen vragen totdat ze soms ontdekten dat ze iets niet zo goed begrepen als ze dachten. Mijn beroemdste uitspraak wordt vaak samengevat als:

'Ik weet dat ik niets weet.'

Misschien is dat niet letterlijk mijn uitspraak, maar de gedachte past wel bij mij. Want ik geloofde dat wijsheid begint bij het erkennen van je eigen onwetendheid. Daarom vond ik het gesprek in Dudok eigenlijk heel aangenaam. De anderen wilden nogal eens antwoorden geven. Ik stelde liever nog een vraag. Mijn bijdrage aan dit boek? Dat bewustzijn niet begint met het hebben van antwoorden. Het begint met...

de bereidheid om vragen te stellen.

Aan anderen, maar vooral aan jezelf. En als u mij vraagt wat mijn levensmotto was, zou ik zeggen: Een niet-onderzocht leven is het niet waard geleefd te worden. Dat klinkt wat zwaar, maar ik vond het eigenlijk heel bevrijdend.

*******

Jung: De man die naar binnen keek

Mijn naam is Carl Gustav Jung. Ik werd in 1875 geboren in Zwitserland en werd psychiater en psycholoog. Ik was aanvankelijk verbonden met Sigmund Freud, maar ontwikkelde later mijn eigen visie op de menselijke psyche. Ik raakte vooral geïnteresseerd in datgene wat zich onder het oppervlak van ons bewustzijn bevindt. Want de mens is meer dan wat hij van zichzelf weet.

We hebben herinneringen, verlangens, angsten en eigenschappen die we liever niet erkennen. Een deel daarvan noemde ik de schaduw. De schaduw is niet simpelweg het slechte in ons. Het zijn ook eigenschappen die we om allerlei redenen niet in onszelf willen toelaten. En wat gebeurt er met wat we niet willen zien? Het verdwijnt niet zomaar, het kan zich op andere manieren laten gelden. We kunnen het projecteren op anderen. Iemand die zijn eigen agressie niet kent, kan overal agressie waarnemen. Iemand die zijn eigen behoefte aan macht niet onder ogen ziet, kan voortdurend machtsmisbruik bij anderen bestrijden.

Daarom vond ik het gesprek in Dudok interessant. Want jullie wilden weten hoe mensen zichzelf kunnen leren leiden. Mijn antwoord zou zijn:

Je kunt jezelf pas werkelijk leiden wanneer je bereid bent jezelf te ontmoeten.

Ook de kanten die je liever verborgen houdt. Dat vraagt moed en waarschijnlijk ook iets anders: innerlijke heling. Niet door jezelf te veroordelen om wat je ontdekt, maar door steeds meer van jezelf te leren begrijpen en te integreren. Mijn belangrijkste boodschap?

Wie zichzelf niet kent, wordt gemakkelijker geleid door wat hij niet kent.

En daarom hoort zelfonderzoek volgens mij niet alleen thuis in de spreekkamer. Het heeft ook een politieke betekenis. Politici zijn ook mensen. Toch?

*******

En nu kennen jullie ze, de mannen die aan het woord worden gelaten in dit boek. Zes mannen uit andere tijden en uit verschillende werelden. Ze waren het lang niet altijd met elkaar eens, en gelukkig maar, want anders viel er weinig te bespreken in Dudok. Hun verscheidenheid aan opvattingen bleek juist onmisbaar voor de beantwoording van de eenvoudige maar tevens moeilijkste vraag van allemaal:

Kunnen mensen leren zichzelf te leiden?


– Inleiding –
Een ontmoeting in Den Haag

Stel je voor dat twee mannen uit het verleden vandaag onze wereld zouden binnenstappen. De eerste is een Griek. Hij draagt een eenvoudig gewaad en kijkt met een mengeling van verwondering en nieuwsgierigheid om zich heen. Zijn naam is Plato. Hij leefde meer dan tweeduizend jaar geleden, maar de vragen die hem bezighielden, zijn nog altijd verrassend actueel.

De tweede komt uit Italië. Hij kijkt scherper en achterdochtiger. Terwijl Plato zich afvraagt wat er achter de zichtbare wereld schuilgaat, lijkt deze man vooral te willen weten wie hier werkelijk de macht heeft. Zijn naam is Niccolò Machiavelli. Ook hij is al eeuwen dood. Maar als iemand de politieke wereld van vandaag onmiddellijk zou herkennen, dan is hij het wel.

Plato en Machiavelli. Twee grote politieke denkers. Twee mannen uit verschillende tijden. En twee totaal verschillende manieren om naar de mens en de politiek te kijken. Maar nu houden zij zich bezig met dezelfde fundamentele vraag:

Hoe moeten mensen worden geleid?

Plato zou als eerste het woord nemen. Hij leefde in het oude Athene, een samenleving waarin de democratie al een belangrijke plaats innam. Maar zijn vertrouwen in de wijsheid van de massa was beperkt. Hij had gezien hoe mensen zich konden laten meeslepen door emoties, overtuigingskracht en populaire leiders. Hij had meegemaakt hoe zijn leermeester Socrates uiteindelijk door de democratische stad Athene ter dood werd veroordeeld. Dat liet een diepe indruk op hem achter.

Voor Plato kon een rechtvaardige samenleving niet uitsluitend worden gebouwd op de vraag wat mensen op een bepaald moment wilden. Politiek vroeg om meer. Om wijsheid, zelfkennis en karakter bijvoorbeeld. Een mens die innerlijk werd beheerst door angst, hebzucht of eerzucht, zou volgens Plato ook in de samenleving vanuit die krachten handelen. Daarom stelde hij een radicale vraag:

Wie is werkelijk geschikt om leiding te geven?

Zijn antwoord was beroemd. Niet degene die het hardst om macht roept, niet degene die het populairst is, maar degene die door studie, ervaring en innerlijke vorming heeft geleerd voorbij zijn eigen belang te kijken: De filosoof. Of misschien beter gezegd: de mens die heeft geleerd zichzelf te onderzoeken.

Naast Plato staat Niccolò Machiavelli. Hij heeft geduldig geluisterd. Dan verschijnt er een glimlach op zijn gezicht. 'Dat klinkt mooi,' zou hij kunnen zeggen. 'Maar kijk eens om je heen.' Machiavelli leefde in het Italië van de Renaissance, een wereld van rivaliserende steden, oorlogen, politieke intriges en verraad. Hij had weinig geduld met politieke theorieën die geen rekening hielden met de werkelijkheid. Volgens Machiavelli moest je de mens niet beoordelen op hoe hij zou moeten zijn. Je moest kijken naar hoe hij werkelijk is. Mensen zijn niet altijd verstandig en rechtvaardig. Zij zijn ook bang, ambitieus en beïnvloedbaar. Soms ook egoïstisch. En wanneer macht op het spel staat, blijken mooie idealen soms opmerkelijk snel naar de achtergrond te verdwijnen. Daarom stelde hij een andere vraag:

Hoe organiseer je macht in een wereld van feilbare mensen?

Politiek moest volgens hem niet worden gebouwd op de hoop dat de juiste mens vanzelf het goede zou doen. Macht moest worden begrepen, georganiseerd, begrensd en waar nodig gecontroleerd. Die gedachte heeft onze moderne democratie diepgaand beïnvloed. We vertrouwen niet blindelings op de goedheid van onze leiders, we verdelen de macht met behulp van verkiezingen. We creëren tegenmacht en stellen grenzen. Niet omdat we ervan uitgaan dat alle mensen slecht zijn, maar omdat we weten dat ieder mens feilbaar is.

Plato en Machiavelli waren het dus niet vaak met elkaar eens. Dat werd al snel duidelijk. 'Je kunt de wereld niet besturen,' zei Machiavelli tegen Plato, 'alsof iedereen op een dag verstandig en deugdzaam zal worden.'

'En jij,' antwoordde Plato, 'kunt de mens ook niet voor altijd behandelen alsof hij nooit meer kan worden dan hij nu is.' Daar waren ze het voorlopig niet over eens. Maar over één ding bleken zij wel hetzelfde te denken: Er was iets vreemds aan de moderne democratie:

De burger en de politiek waren elkaar kwijtgeraakt onderweg.

De twee filosofen liepen zwijgend door Den Haag. Plato keek nieuwsgierig naar de mensen die zich haastig door de straten bewogen. Sommigen fietsten voorbij, anderen keken op lichtgevende schermpjes. Hij bleef staan. 'Wat zijn dat voor apparaten?' vroeg hij.

Machiavelli haalde zijn schouders op. 'Geen idee. Maar ik heb inmiddels begrepen dat ze er voortdurend naar kijken.'

Plato keek naar een jongeman die bijna tegen een lantaarnpaal opliep. 'En denken ze daar ook mee?'

Machiavelli glimlachte. 'Dat is een interessante vraag voor een andere filosoof.'

Ze liepen verder. Voor hen verscheen een imposant gebouw: Het Binnenhof. Of beter gezegd: wat daarvan zichtbaar was. Het historische hart van de Nederlandse politiek stond verscholen achter steigers, hekken en bouwdoeken. Het oude complex werd gerestaureerd. Achter de schermen werd gewerkt aan het herstel van een gebouw dat eeuwenlang het decor was geweest van politieke macht.

Plato bleef staan en keek omhoog. 'Dus hier,' zei hij, 'wordt de samenleving bestuurd?'

'Althans,' antwoordde Machiavelli, 'dat was lange tijd de bedoeling.'

Ze stonden zwijgend naast elkaar. Achter de hekken werd gewerkt aan het herstel van het oude gebouw. Muren werden opgeknapt en beschadigde delen werden vernieuwd. Het verleden werd zorgvuldig behouden, terwijl tegelijkertijd plaats werd gemaakt voor de toekomst.

Plato keek aandachtig naar de steigers. 'Een interessant beeld.'

'Hoe bedoel je?'

'Misschien is het gebouw niet het enige dat renovatie behoeft.'

Machiavelli keek hem aan.

Plato glimlachte. 'Je hebt zelf toch gezegd dat je naar de werkelijkheid moet kijken?'

Machiavelli draaide zich weer naar het Binnenhof. 'En de werkelijkheid,' zei hij, 'is dat de mensen die hier worden vertegenwoordigd zich steeds minder vertegenwoordigd voelen.'

Daar lag de crisis.

De moderne democratie was gebouwd op vertegenwoordiging. De burger kiest mensen die namens hem beslissingen nemen. Dat is begrijpelijk. In een complexe samenleving kan niet iedereen voortdurend over iedere beslissing meepraten. Maar vertegenwoordiging heeft ook een schaduwzijde. Langzaam kan de burger het gevoel krijgen dat politiek iets is wat elders gebeurt. In parlementen, ministeries, partijgebouwen en op televisie. En de burger kijkt toe. Hij stemt, protesteert, klaagt en vervolgens wacht hij af. Ondertussen probeert de politiek de verbinding met de burger te herstellen. Politici willen dichter bij de mensen staan. Ze gaan het land in, voeren gesprekken en beloven beter te luisteren.

Maar misschien ligt het probleem dieper. Want zolang de verhouding hetzelfde is, blijft de kloof bestaan. De politicus leidt en de burger wordt geleid. De burger mag vervolgens beoordelen of hij tevreden is over degene die hem leidt. En als hij dat niet is, kiest hij een paar jaar later iemand anders.

Machiavelli keek met belangstelling naar het Binnenhof. 'Dus jullie hebben de koning afgeschaft, maar blijven immer zoeken naar de juiste persoon die jullie problemen moet oplossen?'

Plato keek peinzend voor zich uit. 'Misschien,' zei hij, 'is het probleem niet alleen dat jullie leiders tekortschieten.' Hij keek naar de mensen die voorbijliepen. 'Wellicht zijn jullie vergeten wat het betekent om zelf verantwoordelijkheid te dragen.' Hij keek opnieuw naar het gebouw. 'Wie zal hier straks zitten en regeren?' vroeg hij.

'Politici,' antwoordde Machiavelli.

'Dat begrijp ik. Maar wat voor politici?'

Machiavelli keek hem vragend aan.

Plato wees naar het Binnenhof. 'Wanneer de steigers verdwijnen en het gebouw weer in volle glorie zichtbaar wordt, wie mag er dan op het hernieuwde pluche plaatsnemen?' Hij wachtte even. 'De oude machtspoliticus?'

Machiavelli trok een wenkbrauw op. 'En wat versta jij daaronder?'

'Een man of vrouw die politiek vooral begrijpt als een strijd om de macht. Iemand die probeert invloed te verkrijgen, zijn positie te behouden en zijn tegenstanders te verslaan.'

'Dat klinkt mij niet geheel onbekend in de oren,' zei Machiavelli droog.

Plato glimlachte. 'Dat vreesde ik al.'

Ze keken opnieuw naar het Binnenhof.

'Of,' vervolgde Plato, 'komt er iemand anders?'

'Een hervormer?'

'Ja precies.'

Plato keek naar de steigers. 'Iemand die begrijpt dat de grootste politieke crisis misschien niet alleen gaat over de vraag welke partij de macht krijgt.'

'Maar?'

'Over de vraag waarom de mensen zich zo ver verwijderd voelen van degenen die namens hen regeren.'

Machiavelli zweeg. Hij wist als geen ander dat politiek niet alleen door idealen werd bepaald. Macht had zijn eigen wetten. Mensen wilden koste wat het kost winnen, posities behouden en hun invloed vergroten. Maar zelfs hij, de machtsfilosoof bij uitstek, kon niet ontkennen dat er iets fundamenteels aan het veranderen was.

De mensen leken steeds minder vertrouwen te hebben in degenen die hen leidden. En tegelijkertijd bleven zij zoeken naar nieuwe leiders, nieuwe partijen, nieuwe beloften en nieuwe gezichten.

'Misschien,' zei Machiavelli uiteindelijk, 'zoeken ze nog steeds naar de verkeerde oplossing.'

Plato keek hem verrast aan. 'Dat klinkt bijna als iets wat ik zou zeggen.'

'Geniet er niet te veel van.'

'Wat bedoel je?'

Machiavelli keek naar de voorbijlopende mensen. 'Ze blijven vragen wie hen moet leiden.'

Plato knikte. 'En jij denkt dat dat de verkeerde vraag is?'

Machiavelli dacht even na. 'Niet per se verkeerd.' Hij keek Plato aan. 'Maar onvolledig. Wat als de vraag niet alleen is wie er straks op dat pluche mag zitten?'

Plato wachtte.

'Maar ook hoe we de mensen die daar niet zitten, meer verantwoordelijkheid kunnen laten dragen?'

Nu was het Plato die zweeg.

Machiavelli vervolgde: 'Wij hebben het over de kloof tussen burger en politiek. Mogelijk proberen ze die kloof op een verkeerde manier te dichten.'

'Door politici dichter bij de burger te brengen?'

'Precies.'

'En jij denkt dat er meer nodig is?'

'De burger zou ook zelf in beweging kunnen komen.'

Plato keek opnieuw naar het Binnenhof. Er verscheen een glimlach op zijn gezicht. 'Nu begin je als een filosoof te praten.'

Ze begonnen weer te lopen. 'Dus,' zei Plato, wat stel je voor?'

Machiavelli wees vooruit. 'Laten we daar eens naar binnen gaan.'

Plato volgde zijn blik. 'Dudok? Wat is Dudok?'

Machiavelli keek hem aan. 'Een plek waar mensen koffie drinken.'

'En daar wil jij de politieke crisis oplossen?'

'Ik heb slechtere vergaderlocaties meegemaakt.'

Even later namen de twee mannen plaats aan een tafeltje. Plato keek nieuwsgierig rond. Mensen praatten, lachten en werkten. Aan een andere tafel zat een groep vrienden met elkaar te discussiëren. Een vrouw typte op haar laptop. Een ober liep met een dienblad vol drankjes door de zaal.

'Zie je dat?' vroeg Plato.

Machiavelli keek op. 'Wat?'

'Deze mensen.'

'Ja?'

'Ze praten met elkaar.'

Machiavelli keek nog eens. 'Dat lijkt me voor een samenleving niet onbelangrijk.'

Plato leunde achterover. 'Wellicht is dit wel een betere plek om over politiek na te denken dan dat gebouw daar.'

'Waarom?'

'Omdat daar vaak over de mensen wordt gesproken.'

Hij keek de ruimte rond. 'En hier zitten de mensen zelf.'

Machiavelli bestelde twee koppen koffie. 'Goed,' zei hij. 'Laten we beginnen.'

'Waarmee?'

Machiavelli keek hem aan. 'Met de vraag die we bij het Binnenhof hebben achtergelaten.'

Plato knikte.

Wie mag straks op het hernieuwde pluche plaatsnemen?

De oude machtspoliticus of de hervormer die probeert de kloof tussen burger en politiek te dichten? Maar terwijl de koffie op tafel werd gezet, begonnen ze te vermoeden dat zelfs die vraag nog niet diep genoeg ging. Want wat als het probleem niet alleen lag bij degene die op het pluche zat? Wat als de kloof bleef bestaan zolang de burger aan de ene kant stond en de politiek aan de andere?

Plato nam een slok. 'Misschien,'zei hij langzaam, 'moeten we niet alleen nadenken over hoe de politiek dichter bij de burger kan komen, maar ook over hoe de burger weer dichter bij zijn eigen politieke macht kan komen.'

Ze keken elkaar aan. Daar, aan een tafeltje in Dudok, begon een nieuw gesprek. Niet over welke partij moest winnen, niet over wie de volgende leider zou worden, maar over een veel fundamentelere vraag:

Hoe kunnen mensen steeds beter in staat worden zichzelf te leiden?

Plato keek naar de lege stoelen rondom hun tafel. 'Dat is geen vraag die wij met z'n tweeën kunnen beantwoorden.'

Machiavelli glimlachte. 'Eindelijk zijn we het ergens over eens.'

Plato keek opnieuw naar de lege stoelen. 'Dan zullen we anderen moeten uitnodigen.'

'Wie had je in gedachten?'

'Dat hangt ervan af waar we over spreken.'

Machiavelli pakte zijn kopje op. 'Dus voor iedere vraag nodigen we iemand uit die daar iets verstandigs over te zeggen heeft?'

'Precies.'

'Dode mensen?'

'Bij voorkeur.'

'Dat maakt het organiseren van de agenda eenvoudiger.'

Plato glimlachte. 'En misschien komen er gaandeweg ook levende mensen bij.'

Machiavelli keek om zich heen. Een man aan een tafeltje verderop had blijkbaar een deel van hun gesprek opgevangen. Een vrouw stopte even met typen op haar laptop. Een jonge student keek nieuwsgierig naar de twee merkwaardige heren die zo ernstig over politiek en zelfleiding zaten te praten.

'Zie je?' zei Plato.

Machiavelli keek hem vragend aan.

'Het gesprek begint al.'

Machiavelli draaide zich naar het raam. In de verte lag het Binnenhof, nog altijd verborgen achter steigers en bouwdoeken.

'Laten we dan maar hopen,' zei hij, 'dat ze niet alleen willen luisteren.'

'Waarom niet?'

'Omdat luisteren gemakkelijk is. Uiteindelijk zullen ze zelf moeten leren nadenken.'

En zo werd, terwijl buiten de oude muren van het Binnenhof werden hersteld, aan een tafel in Dudok begonnen aan een nog ambitieuzere renovatie. Niet van een gebouw, maar van de verhouding tussen politiek en mens. Bij iedere nieuwe vraag zou een andere filosoof worden uitgenodigd. Vrij denken en praten over vrijheid, macht en verantwoordelijkheid. Over democratie, gemeenschap en opvoeding. Over angst en de menselijke natuur. En met ieder hoofdstuk zou de kring groter worden. Er zouden steeds meer stoelen nodig zijn.

Maar niet alleen voor de grote denkers uit het verleden. Ook voor de mensen van nu. Voor de burger die zich niet gehoord voelt. Voor de jongere die zich afvraagt of politiek nog wel iets met zijn leven te maken heeft. Voor de teleurgestelde kiezer. Voor de idealist. Voor de scepticus. Misschien zelfs voor een politicus.

Langzaam zou Dudok voller worden. En misschien zou er op een dag geen duidelijk onderscheid meer zijn tussen de filosofen die spreken en de mensen die luisteren. Iedereen zou deelnemen aan hetzelfde gesprek. Het gesprek over één eenvoudige, maar misschien wel beslissende vraag:

Hoe kunnen we onszelf steeds beter leren leiden?

Plato nam nog een slok van zijn koffie.

Machiavelli keek naar de lege stoel naast hem.

'Wie nodigen we als eerste uit?'

Plato dacht even na. Toen glimlachte hij. 'Dat,' zei hij, 'is het volgende hoofdstuk.'

– Hoofdstuk 1 –
Hoe zijn we elkaar kwijtgeraakt?

De volgende ochtend zat Plato al vroeg in Dudok. Hij had dezelfde tafel uitgekozen als de dag ervoor. De stoel tegenover hem was nog leeg. Hij keek naar de deur, vervolgens naar de kunst aan de muur en daarna weer naar de deur. Hij begon zich af te vragen of Machiavelli had besloten dat de moderne wereld toch iets te ingewikkeld voor hem was. Op dat moment kwam de Italiaan binnen. Hij droeg nog steeds zijn donkere kleding en keek zichtbaar tevreden.

'Je bent laat,' zei Plato.

Machiavelli keek op zijn pols. 'Dat weet ik.'

'En?'

'Ik wilde eens meemaken hoe het voelt om ergens te laat voor te zijn zonder dat iemand je vervolgens uit Florence probeert te zetten.'

Plato keek hem niet-begrijpend aan.

'Een grapje.'

'Ah.'

Machiavelli ging zitten. De ober kwam langs. 'Hetzelfde als gisteren, heren?'

Plato keek verbaasd op. 'Hij herkent ons.'

'Dat lijkt me niet onbelangrijk voor een goede samenleving,' mompelde Machiavelli.

Even zaten ze zwijgend tegenover elkaar. De vraag van gisteren hing nog steeds tussen hen in.

Hoe was de kloof tussen burger en politiek ontstaan?

'We kunnen natuurlijk gewoon beginnen met nadenken,' zei Plato.

Machiavelli keek hem aan. 'Dat hebben wij inmiddels ruim tweeduizend jaar gedaan.'

'En?'

'Kijk om je heen.'

Plato keek om zich heen. 'Wat stel je voor?'

Machiavelli wees naar een jonge vrouw die een paar tafels verderop achter een laptop zat te werken.

'Misschien moeten we eens kijken wat de mensen zelf hierover te zeggen hebben.'

Plato volgde zijn blik. 'Op dat ding?'

'Ik geloof dat daar alles in zit.'

Plato stond op. 'Dan moeten we er een lenen.'

'Zo werkt dat volgens mij niet.'

Maar Plato was al onderweg. Even later kwam hij terug met een laptop onder zijn arm. De jonge vrouw liep achter hem aan.

'Meneer,' zei ze, 'u kunt hem wel even gebruiken, maar doe alsjeblieft voorzichtig.'

Plato zette het apparaat op tafel alsof hij een bijzonder religieus voorwerp voor zich had.

Machiavelli boog zich er nieuwsgierig overheen. 'En nu?'

De jonge vrouw wees naar het scherm. 'Hier kun je zoeken.' Ze typte een paar woorden in: kloof tussen politiek en burger.

De oude filosofen keken ademloos toe. Binnen enkele seconden verscheen een lange lijst met artikelen, onderzoeken, analyses, opiniestukken en enquêtes.

Machiavelli leunde naar voren. 'Dat is snel.'

'Blijkbaar zijn er veel mensen die hierover hebben nagedacht,' zei Plato.

De jonge vrouw glimlachte. 'Ik laat jullie maar even.'

Ze liep terug naar haar tafel. De twee denkers bleven achter. Een paar minuten later waren ze volledig in de ban van het scherm. Plato ontdekte dat je met één beweging van je vinger het hele scherm kon laten verdwijnen.

'Kijk!' riep hij. Hij veegde enthousiast naar boven. De tekst schoot weg.

Machiavelli pakte zijn hand vast. 'Rustig! Je hebt net een heel onderzoek weggegooid.'

'Waar is het gebleven?'

'Ik heb geen idee.'

Plato keek naar het scherm. 'Kunnen we terug?'

'Ik denk het.'

Na een paar mislukte pogingen verscheen de tekst opnieuw. Beiden bogen zich voorover. Ze lazen over afnemend vertrouwen, over burgers die zich niet gehoord voelden, over politieke partijen die steeds meer moeite hadden om verschillende groepen in de samen­leving te vertegenwoordigen. En ook over een overheid die voor veel mensen ingewikkeld en afstandelijk was geworden, over professionals, bestuurders en instituties en over sociale media, polarisatie en de toenemende afstand tussen de wereld van beleid en de dagelijkse werkelijkheid van mensen.

Plato keek op. 'Het lijkt erop dat wij niet de enigen zijn die een probleem zien.'

'Dat was mij gisteren ook al opgevallen,' zei Machiavelli.

'Maar kijk eens hoeveel verklaringen er zijn.'

Ze scrollen verder. De één wees op het gebrek aan vertrouwen. Een ander op de groeiende afstand tussen burger en bestuurder. Weer een ander schreef over globalisering, Europese samenwerking, bureaucratie en de toenemende complexiteit van de samenleving. Er waren mensen die vonden dat politici te veel bezig waren met beeldvorming. Anderen vonden juist dat burgers te weinig betrokken waren.

'Zie je wel,' zei Plato. 'De politiek is te ver van de mens af komen te staan.'

'Of,' antwoordde Machiavelli, 'de mens heeft de politiek te ver van zich af laten drijven.'

Ze staarden een tijdje naar het scherm. Toen hoorden ze achter zich een stem.

'Jullie zoeken op de verkeerde plek.'

Plato draaide zich om en Machiavelli keek over zijn schouder.

Naast hun tafel stond een man. Hij droeg een eenvoudige jas en keek met een mengeling van nieuwsgierigheid en lichte irritatie naar het scherm.

'Wie bent u?' vroeg Plato.

De man keek hem verbaasd aan. 'Dat weet je toch?'

Plato keek naar Machiavelli. Hij haalde zijn schouders op. De man zuchtte. 'Jean-Jacques Rousseau.'

Plato sprong overeind. 'Rousseau!'

Machiavelli keek hem onderzoekend aan. 'De man van het sociaal contract.'

'Onder andere.' Rousseau ging zonder te vragen op de lege stoel zitten.

'Wat doet u hier?' vroeg Plato.

Rousseau haalde iets uit zijn jaszak. Een telefoon. Hij legde hem midden op tafel. Plato en Machiavelli staarden ernaar.

Machiavelli wees. 'Jij hebt er ook één?'

'Natuurlijk.'

Plato keek hem verbaasd aan. 'Maar jij bent al eeuwen dood.'

Rousseau keek naar het scherm. 'En toch krijg ik berichten.'

Machiavelli boog zich nieuwsgierig naar voren. 'Wat voor berichten?'

Rousseau pakte zijn telefoon op, keek op het scherm en las voor:

Jean-Jacques, we hebben je nodig. Dudok, Den Haag. Negen uur. Onderwerp: de kloof tussen burger en politiek. Plato en Machiavelli zijn er ook.

Plato keek Machiavelli aan. 'Heb jij dat gestuurd?'

'Nee.'

'Ik ook niet.'

Rousseau keek hen beiden aan. 'Dat dacht ik al.'

'Van wie heb je het dan gekregen?' vroeg Plato.

Rousseau keek even naar de telefoon. 'Dat staat er niet bij.'

Machiavelli keek wantrouwig om zich heen. 'Dat vind ik niet prettig.'

Plato glimlachte. 'Jij bent geen spat veranderd, je wantrouwt nog steeds iedereen.'

Rousseau schoof de laptop iets naar zich toe. Hij keek naar de zoekresultaten. 'Dus jullie proberen te begrijpen waarom de burger en de politiek zo ver van elkaar verwijderd zijn geraakt?'

Plato knikte.

Rousseau scrolde door het scherm. 'En jullie denken dat Google het antwoord gaat geven?'

Machiavelli trok zijn wenkbrauwen op. 'Tot nu toe geeft Google ons in ieder geval meer antwoorden dan jij.'

Rousseau keek hem aan. 'Dat zullen we nog wel zien.' Hij sloot de laptop.

Plato keek geschrokken. 'Hé! We waren nog bezig.'

'Nee,' zei Rousseau. 'Jullie waren aan het lezen wat anderen over jullie probleem hebben geschreven.' Hij leunde achterover. 'Dat is iets anders dan begrijpen.'

Er viel een stilte.

Rousseau keek van de één naar de ander. 'Jullie stellen de verkeerde vraag.'

Plato glimlachte. 'Dat begint een gewoonte te worden.'

'Jullie vragen waarom de politiek zo ver van de burger is komen te staan.'

'En dat is niet de juiste vraag?'

Rousseau schudde zijn hoofd. Hij wees naar het raam, in de richting van het Binnenhof. 'Misschien moeten jullie eerst vragen wanneer de burger zelf zo ver van de politiek is gaan staan.'

Machiavelli glimlachte. 'Dat zei ik gisteren ook al.'

Plato keek tevreden van de één naar de ander. 'Nu wordt het interessant.'

Rousseau pakte zijn koffie. Hij keek naar de twee filosofen. 'Vertel mij eens,' zei hij. 'Wat verstaan jullie eigenlijk onder een burger?'

Plato dacht even na en Machiavelli keek naar Rousseau. Ergens achter hen stond de jonge vrouw op en liep naar hun tafel. Ze keek de drie mannen aan. 'Mag ik hem weer terug?'

Plato keek naar het apparaat. 'Maar we zijn nog niet klaar.'

De vrouw glimlachte. 'Dat had ik al begrepen.' En ze pakte de laptop. 'Maar wellicht is dat juist het probleem.'

Plato keek haar vragend aan.

'Jullie blijven zoeken naar antwoorden op een scherm.' Ze keek naar de drie mannen. 'Terwijl de mensen waarover jullie praten hier gewoon zitten.'

Ze draaide zich om en liep terug naar haar tafel. De drie filosofen keken haar na. Rousseau glimlachte. 'Zie je wel?'

Machiavelli zuchtte. 'Ik begin een patroon te zien.'

Plato keek naar de steeds drukker wordende ruimte. Mensen praatten, lachten, werkten, discussieerden en wachtten op koffie. Misschien, dacht hij, lag de oorzaak van de kloof inderdaad niet alleen ergens verborgen in een rapport, een onderzoek of een politiek programma. Misschien begon de kloof op het moment dat mensen vergaten dat politiek uiteindelijk over henzelf ging. Over hun leven, hun omgeving, hun verantwoordelijkheid. Over de eenvoudige maar fundamentele vraag:

Hoe willen wij samenleven?

Plato keek Rousseau aan. 'Goed,' zei hij. 'Waar beginnen we?'

Rousseau nam nog een slok van zijn koffie. 'Bij het moment waarop de burger zijn eigen politieke macht is gaan uitbesteden.'

Machiavelli leunde naar voren. Plato schoof zijn stoel iets dichter naar de tafel.

En aan de andere kant van Dudok begon de jonge vrouw opnieuw te typen. Dit keer hield ze één oortje uit haar oor. Het gesprek was begonnen.

Rousseau nam een laatste slok en ging rechtop zitten. 'Bij het moment waarop de burger zijn eigen politieke macht is gaan uitbesteden.'

Machiavelli leunde naar voren. 'Dat klinkt mooi,' zei hij. 'Maar wat betekent het?'

Rousseau zette zijn kopje neer. 'Vertel mij eens,' zei hij. 'Wie heeft hier de macht?'

Plato keek hem verbaasd aan. 'Dat lijkt mij nogal voor de hand te liggen.'

'Werkelijk?'

'Het parlement. De regering. De ministers.'

Machiavelli knikte. 'En vergeet de politieke partijen niet.'

Rousseau glimlachte. 'Zie je wel?'

'Wat?'

'Jullie doen precies hetzelfde als de mensen van deze tijd.'

Plato fronste zijn wenkbrauwen.

'Jullie kijken onmiddellijk naar het Binnenhof wanneer ik vraag waar de macht ligt.'

Rousseau wees naar de mensen om hen heen. 'Maar daar zit een deel van het antwoord niet.' Hij wees naar een vrouw die haar kind een jas aantrok, naar een man die op zijn telefoon keek, naar de jonge vrouw van wie ze zojuist de laptop hadden geleend.

'Kijk eens om je heen. Wat is een samenleving anders dan al deze mensen bij elkaar?'

Machiavelli keek de ruimte rond. 'Een verzameling individuen.'

'Nee,' zei Rousseau. 'Dat is precies waar het misgaat.'

Plato keek geïnteresseerd op. 'Ga verder.'

'Een samenleving is meer dan een verzameling mensen die toevallig naast elkaar wonen. Een samenleving ontstaat wanneer mensen erkennen dat zij iets met elkaar te maken hebben.' Hij boog zich iets naar voren. 'Wanneer zij begrijpen dat hun leven niet volledig losstaat van dat van anderen.'

Machiavelli trok een wenkbrauw op. 'Dat klinkt verdacht idealistisch.'

'Dat komt omdat jij bij alles wat groter is dan eigenbelang onmiddellijk nerveus wordt.'

Plato proestte bijna zijn koffie uit.

Rousseau vervolgde. 'Maar laat ik het eenvoudiger maken. Stel dat honderd mensen op een eiland terechtkomen. In het begin kan iedereen zijn eigen gang gaan. De één bouwt een hut, de ander zoekt voedsel, een derde vangt vis.'

'En de vierde probeert de anderen ervan te overtuigen dat hij de beste visser is,' zei Machiavelli.

'Waarschijnlijk.'

'En de vijfde begint een politieke partij.' Plato glimlachte.

Rousseau zuchtte. 'Maar op een gegeven moment ontdekken deze mensen dat sommige problemen te groot zijn om alleen op te lossen.' Hij telde op zijn vingers. 'Hoe verdelen we het water? Wie onderhoudt de weg? Hoe beschermen we ons tegen gevaar? Wat doen we wanneer twee mensen ruzie krijgen? Dan ontstaat er iets nieuws.'

Plato knikte. 'Een gemeenschap.'

'Precies.' Rousseau leunde achterover. 'En op dat moment ontstaat ook een nieuwe vorm van macht. Niet de macht van één mens over een ander, maar de gezamenlijke macht die ontstaat wanneer mensen besluiten iets samen te doen.' Hij keek naar Plato. 'Jij zou het misschien het vermogen van de gemeenschap noemen om richting te geven aan zichzelf.'

Plato knikte langzaam. Machiavelli zweeg.

Rousseau ging verder. 'Maar nu komt het interessante deel.' Hij boog zich opnieuw naar voren. 'Stel dat die honderd mensen besluiten dat het handiger is om een paar mensen aan te wijzen die namens hen bepaalde zaken regelen.'

'Vertegenwoordigers,' zei Plato.

'Juist.'

'Dat lijkt me verstandig,' zei Machiavelli. 'Niet iedereen kan de hele dag over water­leidingen en visrechten vergaderen.'

'Dat heb ik ook nooit beweerd.' Rousseau keek hem aan. 'Vertegenwoordiging is niet het probleem.'

'Wat dan wel?'

'Het probleem ontstaat wanneer vertegenwoordiging langzaam verandert in vervanging. Aanvankelijk zeggen de mensen: wij geven jullie de opdracht om namens ons bepaalde zaken te regelen. Maar na verloop van tijd verandert dat in: regel het maar.'

Plato knikte. 'En dan?'

'Dan gebeurt er iets fundamenteels.' Rousseau wees naar de richting van het Binnenhof. 'De mensen daar worden steeds meer degenen die politiek bedrijven.' Hij wees naar de mensen in Dudok. 'En deze mensen worden steeds meer degenen over wie politiek wordt bedreven.'

Machiavelli zette zijn kopje neer. 'De één handelt.'

'En de ander ondergaat,' zei Plato.

Rousseau keek hen tevreden aan.

'Maar de burger stemt toch?' vroeg Machiavelli.

'Ja.'

'Hij kiest zijn vertegenwoordigers.'

'Ja.'

'Hij kan ze ook weer wegstemmen.'

'Ook dat.'

Machiavelli spreidde zijn handen. 'Waar zit dan het probleem?'

Rousseau keek hem even zwijgend aan. 'Niccolò, als ik jou één keer in de vier jaar mocht vragen wie mijn huis moest bouwen, zou jij dan zeggen dat jij de architect was?'

Plato glimlachte.

Machiavelli dacht even na.

'Nee.'

'Waarom niet?'

'Omdat ik daarna niet meer bepaal wat er gebeurt.'

'Precies.'

Rousseau drukte met zijn vinger op tafel. 'Stemmen is belangrijk, maar wanneer politiek voor de burger verder nauwelijks een plaats heeft in het dagelijks leven, kan democratie veranderen in een systeem waarin mensen af en toe hun macht bevestigen om die vervolgens weer grotendeels uit handen te geven.'

Plato keek naar de mensen om hen heen. 'En ondertussen klagen ze dat de politiek niet naar hen luistert.'

'Zeker,' zei Rousseau.

'Maar misschien,' vervolgde Plato, 'zijn ze zelf ook gestopt met spreken.'

Rousseau glimlachte. 'Nu komen we ergens.'

Machiavelli keek Rousseau aan. 'De burger heeft dus zijn eigen macht uitbesteed.'

'Ja.'

'Maar heeft hij daar niet ook iets voor teruggekregen?'

Rousseau knikte. 'Zeker.'

'Gemak?'

'Onder andere.'

'Veiligheid?'

'Ook.'

'Tijd om zich met andere zaken bezig te houden?'

'Precies.'

Machiavelli leunde achterover. 'Dan is het geen ongeluk maar een ruil.'

Rousseau keek hem scherp aan. 'Dat is het ook.'

Plato keek van de één naar de ander. 'Welke ruil?'

Rousseau wees opnieuw naar de mensen in Dudok. 'De burger kreeg vrijheid van politieke verantwoordelijkheid, maar verloor langzaam het besef dat hij zelf mede verantwoordelijk is voor de samenleving.'

Daar bleef het even stil.

'Dat is nogal een beschuldiging,' zei Machiavelli.

'Ik beschuldig niemand.'

'Dat klinkt anders.'

Rousseau glimlachte. 'Ik beschrijf een ontwikkeling.'

Hij pakte een suikerzakje en schoof het over tafel. 'Kijk. In het begin staat de burger hier.' Hij legde zijn vinger op het zakje. 'En de politiek hier.' Hij legde zijn andere hand aan de andere kant van de tafel. 'Er is een kleine afstand tussen beiden. De burger geeft een deel van zijn macht aan vertegenwoordigers om praktische zaken te regelen.' Hij schoof zijn hand een stukje verder. 'Maar de samenleving wordt groter.' Nog een stukje. 'Complexer.' Nog een stukje. 'De politiek wordt een vak.' Nog verder. 'De overheid krijgt meer taken.' Het suikerzakje bleef liggen. 'De burger krijgt het druk.' Hij schoof zijn hand opnieuw. 'Met werken, wonen, geld verdienen, zijn gezin, met zijn eigen problemen.'

Plato keek naar de steeds groter wordende afstand tussen Rousseaus handen.

'En op een gegeven moment,' zei Rousseau, 'kijkt de burger naar de andere kant van de tafel en zegt: 'Wat zijn ze daar eigenlijk allemaal aan het doen?'

Machiavelli glimlachte. 'Dat herken ik.'

'Natuurlijk herken je dat. Jij zou onmiddellijk naar de andere kant van de tafel lopen om uit te zoeken wie daar de leiding heeft.'

'Dat zou ik inderdaad doen.'

Plato keek naar Rousseau. 'En wat doet de moderne burger?'

Rousseau dacht even na. 'Hij kijkt ernaar op zijn telefoon.'

Machiavelli begon te lachen. Zelfs Plato kon een glimlach niet onderdrukken.

'Maar er is nog iets gebeurd,' vervolgde Rousseau. Zijn stem werd ernstiger. 'De burger is niet alleen toeschouwer geworden.'

'Wat dan?'

'Ook consument.'

Plato keek hem vragend aan. 'Leg uit.'

'De moderne mens is eraan gewend geraakt dat veel dingen voor hem worden geregeld.'

Hij bestelt, ontvangt en beoordeelt. Hij is tevreden of ontevreden. En langzaam begint hij ook zo naar de politiek te kijken.'

Machiavelli knikte. 'De overheid als dienstverlener.'

'Precies.'

Rousseau deed alsof hij op een onzichtbaar scherm keek. 'Ik heb op jullie gestemd en nu is mijn probleem nog steeds niet opgelost.'

Plato glimlachte. 'Een slechte recensie.'

'Eén ster.'

'Waarom één ster?'

'Omdat ik geen nul kan geven.'

Machiavelli keek Rousseau aan. 'Jij begint de moderne tijd aardig te begrijpen.'

'Ik heb me voorbereid.' Hij tikte daarbij op zijn telefoon.

Plato wees naar het apparaat. 'Kun je daar alles op vinden?'

'Bijna alles.'

'Ook wijsheid?'

Rousseau dacht even na. 'Daar zijn de meningen over verdeeld.'

Het gesprek viel even stil. Rousseau keek naar de tafel. 'Begrijpen jullie nu wat ik bedoel?'

Plato knikte langzaam.

'De kloof is niet alleen ontstaan omdat politici zich van burgers hebben verwijderd.'

'Nee.'

'De burger heeft zich tegelijkertijd teruggetrokken uit de politieke ruimte.'

'Ja.'

Machiavelli keek naar het raam. 'Dus beiden wijzen naar elkaar.'

Rousseau knikte. 'De burger zegt: zij luisteren niet.' 'En de politicus zegt: zij begrijpen niet hoe ingewikkeld het is.'

'En ondertussen,' vervolgde Plato, 'wordt de afstand groter.'

Rousseau knikte.

Plato leunde achterover. Hij dacht na over wat Rousseau had gezegd. 'Maar dan hebben we een probleem.'

Machiavelli keek hem aan. 'Eindelijk. Nu komen we ergens.'

'Als we willen dat de burger weer meer verantwoordelijkheid gaat dragen, kunnen we hem niet zomaar vertellen dat hij dat moet doen.'

Rousseau knikte. 'Nee, we kunnen niet zeggen: vanaf morgen bemoeit iedereen zich weer met de samenleving.'

'Dat zou een ramp worden,' zei Machiavelli.

'Daar ben ik het mee eens, want als mensen meer macht en verantwoordelijkheid krijgen, moeten zij daar ook mee kunnen omgaan.'

Nu werd Rousseau stil, want daar lag de volgende vraag.

Niet alleen:

Hoe geven we de burger zijn macht terug?

Maar vooral:

Hoe helpen we de burger om met die macht om te gaan?

Machiavelli keek naar Plato. 'En daar komen we weer bij jou uit.'

Plato schudde zijn hoofd. 'Nee.' Hij keek naar Rousseau. 'Daar komen we bij iets uit waar wij alle drie nog niet voldoende over hebben gesproken.'

'Wat dan?' vroeg Rousseau.

Plato keek naar de mensen om hen heen. Naar de jonge vrouw met haar laptop. Naar de man die haastig zijn koffie opdronk. Naar de ober die door de zaal liep. Naar de mensen die leefden, werkten, liefhadden, zich zorgen maakten en ondertussen deel uitmaakten van een samenleving die voor een groot deel door anderen werd bestuurd.

'De ontwikkeling van de mens.'

Rousseau knikte langzaam. Machiavelli zei niets.

Plato vervolgde: 'Misschien hebben we eeuwenlang geprobeerd de vraag te beantwoorden hoe we de macht moeten organiseren.'

Hij keek naar Machiavelli. 'Jij hebt daar veel over gezegd.'

Daarna keek hij naar Rousseau. 'En jij hebt ons eraan herinnerd dat de macht uiteindelijk bij de burgers hoort.'

Hij legde zijn handen op tafel. 'Maar misschien hebben we één vraag te weinig gesteld.'

Rousseau keek hem aandachtig aan. 'Welke?'

Plato antwoordde:

Wat voor mens is nodig om werkelijk vrij te kunnen zijn?

Er viel een stilte. Aan het tafeltje naast hen schoof een stoel over de vloer. Iemand was dichterbij komen zitten. De jonge vrouw met de laptop had haar computerscherm gesloten. Ze keek naar de drie mannen. 'Dat is een interessante vraag,' zei ze.


Verder lezen?  Bestel het gratis e-book via info@partijvandeliefde.nl